maatschappelijk verantwoord ondernemen

  1. het debat over maatschappelijk verantwoord ondernemen kan pas echt gevoerd worden als we het met elkaar eens over wat we hier onder verstaan. Daarover loopt de wetenschappelijk discussie nog steeds, maar in de politiek kunnen we wel enkele piketpalen slaan in deze discussie. In de eerste plaats betreft MVO het bovenwettelijke traject.

  2. in de tweede plaats is er brede overeenstemming over dat bij MVO de aandacht in gelijke mate verdeeld moet worden over people, planet en profit. Bij het verrichten van ondernemingsactiviteiten moet rekening worden gehouden met de gevolgen die het heeft voor de toekomst van de onderneming, de leefomgeving en de sociale omgeving. Om dat op een goede manier gestalte te geven moet een intensieve dialoog worden gevoerd met de diverse belanghebbenden.

  3. voor wat betreft het CDA mag daar nog aan toegevoegd worden dat transparantie in deze een belangrijke rol speelt. De open dialoog met de belanghebbenden kan alleen gebaseerd zijn op een open houding van de onderneming en de gesprekspartners. Een onderneming moet binnen redelijke normen ingaan op het verzoek om de gevraagde informatie leveren – ik kom daar in mijn vervolg nog op terug – , maar maatschappelijke organisaties moeten zich evenzeer houden aan hun transparantie van informatievergaring en het verstrekken van betrouwbare informatie. Tot slot meent het CDA dat het moet gaan om het kernproces van de onderneming. In tegenstelling tot maatschappelijk betrokken ondernemen, meent het CDA dat MVO in de kern van het bedrijfsproces tot uitdrukking moet komen. Het verstrekken van giften wordt, hoe goed bedoeld ook, niet als mvo gezien.

  4. kort samengevat komt MVO voor de CDA-fractie er op neer dat het gaat om een bovenwettelijk traject, waarbij vrijwilligheid voorop staat dat niet mag leiden tot vrijblijvendheid. Dat betekent dus dat de Kamer hier niet zijn wetgevende functie zal en kan vervullen. Het gaat immers om een bovenwettelijk traject.
    Dan komen we bij de tweede rol van de Kamer, namelijk het stimuleren van de aandacht voor dit onderwerp. Ook dat is een belangrijke functie van de Kamer, maar is anders dan die van zijn wetgevende rol. In de derde plaats heeft de Kamer een controlerende functie: die functie zullen we ook in dit AO betrekken.

  5. laten we beginnen met die laatste functie. Op basis van het IBO-onderzoek is een overzicht gegeven van de werkzaamheden op dat terrein. Er is veel in gang gezet. Vele malen is er aandacht aan besteed en ook de aandacht voor het onderwerp bij de ondernemingen is vergroot. Op internationaal niveau is op vele niveaus overleg gevoerd en invloed uitgeoefend. Er is enige teleurstelling te bemerken over het lage profiel van de EU voor dit onderwerp. Is daar in de afgelopen periode nog verbetering in aangebracht? Zo neen, waarom staat dat onderwerp niet in de nieuwe beleidagenda? Op basis van onderzoek is het Nationaal Contactpunt Multinationale ondernemingen (NCP) op een andere manier ingericht. Functioneert het nu beter en is tegemoet gekomen aan de bezwaren van diverse spelers? Ook is in de afgelopen periode MVO-Nederland opgericht. een organisatie, die met name een rol kan spelen in het makelen van de kennis. Er viel ons wel wat op: hoe komt het dat ondernemers, milieuorganisaties en consumenten er wel in zijn vertegenwoordigd en de vakbeweging niet?

  6. Uw invalshoek van inspireren, innoveren en integreren past ons wel. De integratie van het MVO komt tot uitdrukking als een bedrijf MVO in zijn kernproces tot uitdrukking laat komen. Dat geldt niet natuurlijk ook voor sectoren in zijn geheel. Het inspireren komt vooral in het stimuleren van MVO en de discussie daarover. Het innoveren zal vooral door het bedrijfsleven zelf gedaan moeten worden. Maar ook daar kan de overheid een stimulerende, inspirerende rol vervullen.

  7. Het is opvallend dat in het maatschappelijk debat veel aandacht wordt besteed aan de internationale dimensie van het MVO. Maar ook de nationale dimensie van MVO moet ontwikkeld worden. De inzet van bepaalde achterstandsgroepen binnen een onderneming, de aandacht voor het begeleiden van stagiaires, het keurmerk investors in people, de aandacht voor het milieu, al deze zaken moeten ook genoemd worden in het MVO. Dergelijke aspecten mogen niet verwaarloosd worden en daar mag evenmin geringschattend over worden gedaan.

  8. Terecht stelt de staatssecretaris dat er een onderscheid is waar te nemen in het gedrag van de burger als invuller van enquêtes en als consument. Dat heeft met de prijs te maken, maar soms ook met onwetendheid. Een voorbeeld vind ik het graniet dat voor grafstenen wordt gebruikt. Dat daar mensonterende toestanden plaats vinden was niet wijd en zijd bekend, maar dankzij informatie van NGO’s kan die info verspreid worden. Deze informatie hadden zij verkregen dankzij een door de regering gesubsidieerd onderzoek. Dergelijke informatie is lang niet altijd makkelijk boven tafel te krijgen. Een deel van deze onderzoeken worden al gesubsidieerd door het ministerie van VROM en de NCDO, maar welke rol speelt EZ in deze. Kan hier niet meer ruimte voor worden geboden?

  9. In het verlengde daarvan komt de vraag naar boven op welke manier een consument informatie over een bepaalde dienst of product boven tafel kan krijgen. Er zijn sommige organisaties die daar een warm pleidooi voor houden. Laat me duidelijk zijn: het zou een bedrijf de eer te na moeten zijn als er wetgeving moet komen om bedrijven te dwingen om deze gevraagde informatie te geven. Bedrijven moeten zo transparant mogelijk zijn in de informatie over de door hen geproduceerde producten.

  10. Maar aan deze stelling kleven wel enkele problemen. In de eerste plaats tot hoever moet het gaan? En dan komen we aan het onderwerp van de ketenaansprakelijkheid. De SER zal daarover een advies uitbrengen. We wachten met belangstelling de advisering en kabinetsreactie op dat onderwerp af.
    In de tweede plaats moet duidelijk worden waar de informatie over gegeven moet worden. Over welke onderwerpen. Op het terrein van het sociaal beleid kan dat nog redelijk worden afgeperkt, vanwege de kernverdragen van de ILO, maar op andere terreinen, zoals milieu, wordt dat moeilijker. Om een concreet voorbeeld te geven. Fairfood biedt uitgebreide vragenlijsten aan Albert Heyn aan over talloze producten. Als AH dat voor al zijn producten moet doen, dan is het een onmogelijke last voor dit bedrijf om daar op in te gaan. In dat kader zou het helpen als NGO’s een (beperkte) lijst met onderwerpen en vragen weten op te stellen waarvan ze het gerechtvaardigd achten dat daar informatie over verstrekt wordt. Een voorbeeld van een dergelijk traject is de zogeheten ISO 26000 norm.

  11. Trouwens: de informatievraag aan een groot bedrijf moet ook anders beoordeeld worden dan een MKB-bedrijf. Bij die laatste is de capaciteit aanzienlijk kleiner om alle vragen te beantwoorden dan voor de grote bedrijven.

  12. In het onderzoek over de pensioenfondsen blijkt dat bij veel pensioenfondsen de aandacht voor MVO groeiende is, maar aanzienlijke verbetering behoeft. In bijna alle pensioenfondsbesturen is de aanwezigheid van mensen uit de werkgevers en vakbeweging aanwezig. Op welke manier gaan de pensioenfondsbesturen zelf meer aandacht schenken aan MVO en dat ook een cruciale rol laten spelen bij hun investeringsbeslissingen? Het argument dat het onvoldoende rendement oplevert is onwaar gebleken. In hoeverre zouden de pensioenfondsen onderling geen code maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen afspreken? Een soort code Tabaksblatt, maar dan anders.
    In diverse onderzoeken wordt steeds gerefereerd aan de betrokkenheid van het aantal pensioenfondsen dat aan MVO doet ten aanzien van zijn beleggingen. Zou het niet interessant kunnen zijn om te weten te komen hoeveel geld pensioenfondsen in MVO-fondsen beleggen?

  13. in het vorige debat is aandacht gevraagd voor het opnemen van MVO in de code Tabaksblatt. Uw reactie is theoretisch gezien juist: het is zelfregulering, waar de overheid geen rol in speelt. Maar u kunt ook hier uw stimulerende rol benutten. U wilt een onderzoek doen naar de mogelijke relatie tussen aandeelhouderschap en MVO: wat ons betreft zou dat iets verder mogen gaan. Op welke manier kunnen we de relatie tussen aandeelhouder en het MVO versterken? Ook in het onderzoek de kracht van pensioenfondsen blijkt dat corporate governance een belangrijke rol moet spelen. Daarom deze stap verder.

  14. De rol van de overheid als inkoper. Er zijn afspraken gemaakt om voor 2010 100% duurzaam in te kopen. Geldt dat alleen voor de rijksoverheid of ook voor de decentrale overheden? Als dat laatste niet het geval is zijn de gesprekken dan ook al gevoerd met VNG, IPO en de Unie van waterschappen. Maar ook andere instellingen, zoals KvK, universiteiten etc. we gaan er vanuit dat de staatssecretaris deze lijn ondersteunt en daarop actie heeft ondernomen.

Economische Zaken

Binnen de fractiecommissie Economische Zaken houd ik mij voornamelijk bezig met enkele vraagstukken op Europees en regionaal economisch terrein.

Ten aanzien van het eerste gaat het dan om het zogeheten Lissabonproces, de afspraken die de EU-lidstaten met elkaar hebben gemaakt om in 2010 een forse stap vooruit te hebben gezet op het terrein van de kenniseconomie.

Daarnaast houd ik mij bezig met de Raad voor Concurrentievermogen en met de Europese structuurfondsen.

Voor het binnenlandse terrein gaat het om de kamers van koophandel. Tot slot ben ik de woordvoerder voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.