Nieuws

9 december 2009 10:09 Leeftijd: 233 dagen

begroting OCW, onderdeel Jan Jacob

 


          Brede heroverwegingen 

  1. De brede heroverwegingsoperatie gaat niet aan het onderwijs voorbij. En dat is maar goed ook. De opdracht om na te gaan op welke manier het rendement in het onderwijs vergroot kan worden is een interessante. Want volgens ons kan dat wel degelijk, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van onderwijs. Integendeel, het CDA ziet juist kansen voor het verhogen van de kwaliteit.

  2. Zo is voor een succesvol innovatiebeleid goed onderwijs van belang. Maar hoe belangrijk vindt het onderwijs innovatie in zijn eigen werkprocessen? Maakt zij gebruik van nieuwe inzichten in de manieren van lesgeven, van neurologisch onderzoek bij kinderen over de manier en het beste tijdstip van kennisoverdracht en de organisatie van de werkzaamheden? Sluit de manier van lesgeven aan bij de belevingswereld van de leerlingen en is zij inspirerend genoeg? Dat moet niet vanuit Den Haag gedicteerd worden, maar binnen de scholen worden opgepakt. Het CDA roept de scholen hiertoe op. Bepaalde vernieuwingsvormen hebben hun weg ook gevonden in het reguliere onderwijs. Een goed voorbeeld hiervan is de samenwerking van een aantal scholen in de onderwijsvernieuwingscoöperatie.nl Maar er zijn nog veel meer kansen. Nieuwe technologieën, nieuwe lesmethoden, nieuwe organisatievormen, andere vormen van dagindeling, andere vormen van gebruikmaken van de ruimtes in de school, zoals het Aletta Jacobs College in Hoogezand-Sappemeer met zijn deelscholen. De uitstraling van de gratis schoolboeken op de innovatie in het onderwijs en de bevordering van het eigenaarschap van docenten en leerlingen wordt door sommige partijen wel eens onderschat. Andere partijen verheerlijken het frontale lesgeven, zoals we dat in 1909 ook deden, maar de vraag is of dat de kinderen op een optimale manier voorbereidt voor hun toekomstige rol in de samenleving. Een samenleving die op andere terreinen onherkenbaar is is veranderd sinds 1909.

  3. in de afgelopen jaren is de aandacht veelvuldig gelegd bij het gelijke kansen geven aan meisjes. Terecht. Nu lijkt het er echter op dat vooral jongens achterblijven. Op elk onderwijsniveau scoren meisjes beter dan jongens. Diverse verklaringen worden hiervoor aangedragen, maar het is ernstig de vraag of er één eenduidige verklaring te geven is. We zouden de minister willen vragen om onderwijsinstellingen te ondersteunen in het aanbieden van handreikingen om jongens  een andere manier van begeleiding te geven en misschien andere personen – lees meer mannen – voor de klas?

  4. Een ander vraagstuk is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de landelijke overheid enerzijds en de gemeentelijke overheid anderzijds. Steeds meer gemeenten willen zich met de inhoud van het onderwijsbeleid gaan bemoeien. Ze willen op de stoel van de inspectie gaan zitten en de kwaliteit van een school kunnen beoordelen en gepaste maatregelen kunnen treffen, zoals sluiting van een school. Ofschoon de goede bedoelingen niet betwist worden, moet wel gesteld worden dat de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen. De taak van de gemeenten is het scheppen van goede randvoorwaarden voor het onderwijs, zoals goede onderwijshuisvesting, brede schoolvoorzieningen en de regierol bij de lokale educatieve agenda.  Het blijkt dat veel gemeenten al moeite hebben om die rol adequaat in te vullen.
     

  5. Goed onderwijs staat en valt met een goede betrokkenheid van de ouders bij de school. Die betrokkenheid ontstaan alleen als de ouders het gevoel hebben dat ze onderwijs kunnen kiezen dat bij de ouders en hun kinderen past. Levensbeschouwelijke opvattingen zijn daarin doorslaggevend, misschien niet eens zo zeer vanwege een positieve keuze voor protestants-christelijk of katholiek, maar wel door de cultuur binnen een school of de manier waarop het onderwijs wordt gegeven. En waar komt die cultuur vandaan? Inderdaad: uit de levensbeschouwelijke identiteit van de school. Daarom is het alleen uit ideologische betrokkenheid te verklaren dat sommigen het einde van artikel 23 bepleiten, zoals onlangs nog eens in een dagblad werd beweerd. Een groot deel van de ouders is hier overigens niet van gediend gezien het feit dat 60% van de ouders hun kind(eren) naar een vorm van bijzonder onderwijs stuurt.

  6. het is hier niet de plek waar we aan zullen geven wat de uitkomsten moeten zijn van deze brede heroverwegingen. Wel waar we enkele criteria willen aangeven waar langs we de uitkomsten zullen beoordelen. Al veelvuldig is de studiefinanciering genoemd. Moet het huidige stelsel gehandhaafd blijven? Voor ons is dit stelsel niet heilig, maar wel moet een alternatief stelsel er voor zorgen dat de toegankelijkheid op grond van sociaal-economische positie tot het MBO en Hoger Onderwijs op peil blijft. Talenten mogen niet worden belemmerd in hun ontwikkeling en evenmin worden verspild.

  7. Niemand kan het belang van het hoger onderwijs voor de kenniseconomie ontkennen. Elke onderwijsinstelling levert zijn bijdrage, maar het Hoger onderwijs met zijn nauwe relaties met het wetenschappelijk onderzoek, heeft wellicht een grotere bijdrage aan de totstandkoming van de kenniseconomie. Het is daarom ook jammer dat het fundamentele onderzoek niet bij de heroverwegingen in het hoger onderwijs worden betrokken. Universiteiten zijn onderwijs- en onderzoeksinstellingen: de een kan niet zonder de ander. Dat de focus alleen op het hoger onderwijs is gelegd is een omissie, die hopelijk door de ambtelijke commissie alsnog ter hand wordt genomen.

    Talenten ontdekken en ontplooien 
  8. In de afgelopen jaren hebben we tijdens de begrotingsbehandeling aandacht gevraagd voor de kwaliteit van het onderwijs. Het CDA meent dat kwalitatief goed onderwijs meer is dan alleen maar goed scoren op rekenen en taal. Onderwijs heeft naast het overbrengen van kennis ook een belangrijke vormende taak. Kinderen in het primair en voortgezet onderwijs leren samenwerken, worden zich bewust van hun eigen rol in de groep, leren leren en worden daarmee opgeleid  voor hun latere rol in de samenleving. In het MBO en het Hoger Onderwijs ligt het accent meer bij hun voorbereiding op de arbeidsmarkt, maar ook daar worden de deelnemers voorbereid op hun latere verantwoordelijkheden als werknemer en als verantwoordelijk burger.

  9. Ieder mens heeft talenten. Die zijn niet bij iedereen gelijk en niet bij iedereen even ver ontwikkeld. Ook kent niet iedereen zijn eigen talenten en zijn tekortkomingen. Alleen in relatie met andere mensen leren we onze eigen tekortkomingen en talenten kennen. Elk talent verdient het om ontplooid te worden. Het onderwijs vervult daarin een belangrijke rol. De opdracht van het onderwijs is namelijk om de leerlingen of deelnemers te helpen met het ontdekken van hun talenten en deze verder te ontwikkelen. Om die aanwezige talenten te ontplooien. En daarmee kan het onderwijs als een ontplooiingsmachine worden gezien!

  10. Natuurlijk, leerlingen moeten basiskennis en basisvaardigheden krijgen. Daartoe hebben we voor rekenen en taal de doorlopende leerlijnen ontwikkeld. Later deze maand zullen we daar nog verder over spreken. Het moet helder zijn voor iedere leerling en voor iedere docent wat een leerling op het terrein van rekenen en taal aan het einde van een opleiding moet kennen. Niet dat onderwijs daartoe beperkt mag worden, maar goed reken- en taalonderwijs zijn cruciale voorwaarden voor de andere opdrachten van het onderwijs.

  11. Opvallend is dat rekenen en taal in de praktijk verengd lijkt te worden tot Nederlands en wiskunde. Op welke manier voorkomen we dat de opdracht voor de doorlopende leerlijnen volledig terecht gaat komen bij de docenten Nederlands en wiskunde? Op welke manier kunnen ook andere vakken hier een bijdrage aan leveren, zoals economie, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie en science, zoals ook de bedoeling was van de Commissie Meijering?

    Docenten

  12. De uitdaging voor het onderwijs is de ontplooiing van de talenten van leerlingen. Dat vraagt het een en ander van docenten. Zij moeten in staat zijn om leerlingen uit te dagen om hun talenten verder te ontwikkelen, nieuwsgierigheid over zien te brengen op de leerlingen. Ze moeten de leerlingen prikkelen en stimuleren op hun zoektocht naar meer kennis en vaardigheden. Goede docenten slagen daarin. Ze beheersen de vaardigheden en beschikken over de kennis om die talenten te ontdekken en te ontplooien. Een noodzakelijke voorwaarde is een goede opleiding en een goede werkomgeving.

  13. Mobiliteit in het onderwijs zou goed zijn, maar wordt momenteel ernstig belemmerd door bestaande rechten. Als een docent gedurende vijf jaar op een school heeft gewerkt, heeft hij rechten opgebouwd. Vertrekt hij van die school en komt hij op een andere school terecht, dan moet hij zijn rechten weer van meet af aan opbouwen. Dat is aantrekkelijk voor een docent die vierendertig jaar aan een school verbonden is geweest, maar belemmert de mobiliteit in ernstige mate. Want in het onderwijs geldt nog het LIFO-systeem, gebaseerd op een cao-afspraak, terwijl in de rest van de Nederlandse samenleving overal het afspiegelingsmechanisme wordt gehanteerd. Daarom doen we een oproep aan de sociale partners om deze afspraak te veranderen. Zeker in de komende jaren van krimp in het onderwijs is het funest voor het onderwijs als alle jonge docenten het onderwijs worden uitgejaagd. Laat sociale partners hier creatieve oplossingen voor verzinnen.

  14. Leveren de leraren opleidingen voldoende kwaliteit? Hoe staat het met de gemeenschappelijke basiskennis? Kan het in een periode van vier jaar? Een educatieve minor hebben we van harte ondersteund, maar op welke manier gaan we stimuleren dat de docent zich uitgedaagd voelt om alsnog de master te gaan halen? Moeten we meer specialisatie in de lerarenopleidingen aanbrengen? Het CDA vindt van wel. We hebben al eerder aangegeven dat PABO’s ruimte moeten krijgen om meer specialisatiemogelijkheden te krijgen: onderbouw-bovenbouw-VMBO. De specialisatie kan dan na het eerste jaar. Dat zou het ook aantrekkelijker maken voor jongens om naar de PABO te gaan.

  15. een goed werkklimaat stimuleert docenten om het beste uit kinderen te halen. Een goed lesklimaat, waarin vertrouwen en integriteit centrale begrippen zijn, bevordert de leerprestaties van leerlingen en verbetert het werkklimaat van de docenten. Dat veronderstelt leiderschap binnen een onderwijsinstelling. Aan de ene kant onderwijskundig leiderschap, aan de andere kant voldoende ruimte voor de professional om op een professionele manier zijn vak te kunnen uitoefenen. En dat laatste heeft betrekking op het management binnen een schoolorganisatie.

    leiderschap 

  1. Ten aanzien van het leiderschap de volgende opmerkingen. Rapporten van de onderwijsinspectie maken keer op keer duidelijk dat zwakke leraren en zwakke schoolleiders de meest voorkomende oorzaken van het ontstaan van zwakke scholen zijn. Nu al zijn er meer dan 500 vacatures als schoolleiders in het PO. Wat onderneemt het kabinet om het tekort aan schoolleiders tegen te gaan? Welke maatregelen neemt het kabinet om de kwaliteit van schoolleiders te verbeteren? Belangrijk instrument kan het schoolleidersregister zijn, waar alleen met een voldoende en permanente opleiding de inschrijving kan plaats vinden. Waarom stimuleert het kabinet de komst van een schoolleidersregister niet? Schoolbesturen zouden er verstandig aan doen om bij voorkeur hier hun schoolleiders uit te rekruteren. Dat bevordert de kwaliteit van de individuele school en daarmee op den duur het hele onderwijs.

  2. Daarbij moeten we wel onderkennen dat we tegenwoordig veel vragen van een schoolleider. Het moet een schaap met 8 poten zijn. Een gemiddelde schoolleider binnen een PO-school heeft te maken met 20 man personeel, als gevolg van de vele deeltijdfuncties. De gemiddelde schoolleider heeft te maken met ongeveer 150 ouderparen van zo’n 200 kinderen. Tot hun takenpakket behoort  het onderhouden van contacten met de inspectie, gemeente, toeleverende scholen, brandweer, en ga zo maar door. En dan heb ik het nog niet eens over een VO-school. Het CDA vraagt zich af of het onderwijskundig en didactisch leiderschap wel altijd bij de directeur moet worden ondergebracht? Indien leerkrachten zich blijven scholen kunnen ook zij leidend worden op het pedagogische en didactische terrein. Hiermee wordt gelijk meer variatie in de  mogelijke functies voor leerkrachten aangebracht zonder alleen maar te kiezen voor de onvermijdelijke managementfunctie als een leerkracht een volgende stap wil zetten. Zouden scholen niet meer moeten nadenken over hun interne organisatie, waardoor ze minder kwetsbaar worden voor het wegvallen van één persoon?

    Eind maken aan de subsidieverslaving 

  1. Maatwerk is nodig om de talenten te ontplooien. Docenten kunnen dat niet alleen: alleen als lid van een team, waarin alle vormen van ondersteuning voorhanden is, kan zo’n taak serieus gerealiseerd worden. Het team en de directie van de school moet de docenten dus ondersteunen. Gericht. Niet op basis van beschikbare (kortlopende) subsidies, maar op basis van de behoeften die ontstaan bij de leerlingen en docenten. Hoe nuttig zijn daarom alle verschillende subsidiemaatregelen? We hebben met veel scholen hierover gesproken de afgelopen tijd. Hun antwoord was eensluidend: het kost heel veel tijd om subsidies aan te vragen, veel tijd om ze uit te voeren en nog meer tijd om ze te verantwoorden, waarbij elke keer weer de vraag opdoemt hoe duurzaam het rendement is. Laat ik een enkel voorbeeld noemen. Bevordering van excellentie in het PO. Er is anderhalf miljoen beschikbaar. 28 projecten kunnen slechts ondersteund worden. Leuke en boeiende projecten, daar niet van, maar dat komt neer op 52000 euro per project. Meer dan 90 andere goede projecten konden niet worden gehonoreerd. De administratieve last is hoog. Het CDA vraagt zich af of het niet beter is deze subsidies rechtstreeks op te nemen in de lump sumfinanciering waardoor scholen zelf langdurige accenten kunnen leggen die ze willen en nodig hebben. Want het verstrekken van subsidies is in feite een teken dat we een gebrek aan vertrouwen hebben in de scholen dat ze op een verantwoiorde wijze het beste voor hun leerlingen en docenten gaan doen.  Daar moet een einde aan komen. Kortom: alle subsidies schrappen.

  2. Trouwens: er bestaan vele instellingen in het onderwijs, die onderwijsondersteunend bezig zijn. Zij bieden lesmateriaal aan, aan scholen, waar vaak maar zeer weinig gebruik van wordt gemaakt. In een recent uitgevoerd onderzoek over lespakketten blijkt het rendement van die pakketten marginaal te zijn. Het Platform Beroepsonderwijs weet van gekkigheid niet waar ze hun geld moeten wegzetten. Cultuureducatie, platform bèta-techniek, en nog vele andere potjes zijn redelijk soepel door deze begroting heen gekomen. Maar de ondersteuning van het management in het PO niet, daar wilt u 90 miljoen bezuinigen lezen wij in de begroting. Dit zijn gelden die vanwege de invoering van de lump sum naar de scholen zijn overgeheveld zodat zij er mensen van konden aannemen om zich bezig te houden met de praktische uitvoering van de lump sum en alles wat daarbij komt kijken op het gebied van verantwoording. De CDA-fractie vindt het vreemd om deze gelden bij scholen weg te halen terwijl de juist door u ingestelde commissie Don concludeert dat versterking van de financiële kennis bij  PO-scholen raadzaam zou zijn. Zou het dan niet beter zijn om deze bezuinigingsoperatie van tafel te laten verdwijnen en daarvoor in de plaats subsidieregelingen afschaffen en potjes laten verdwijnen Eventueel motie/amendement

    Geef scholen verantwoordelijkheden 

  1. Onderwijs staat of valt bij goede docenten, goede schoolleiders, goed lesmateriaal, maar ook bij een goede onderwijshuisvesting. Als die niet in orde is, is er een slecht werk- en leerklimaat. Veel scholen lopen aan tegen de bureaucratie van de gemeenten voordat ze eens hun gebouw kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen. Dat geldt voor het VO. Voor het PO is er een permanente staat van oorlog tussen schoolbesturen en gemeenten. Elk jaar verschijnen weer de berichten dat gemeenten minder geld uitgeven aan onderwijshuisvesting dan ze ontvangen van het rijk. Of berichten dat gemeenten openbaar onderwijs bevoordelen boven bijzonder onderwijs. Er zijn gemeenten in met name het Noorden van het land waar al jaren lang veel, zo niet alle onderwijsinvesteringen gaan naar het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs kampt met slechte huisvesting. Hoe verhoudt zich dit tot de gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs? Met andere woorden: we willen een serieus gesprek over de doordecentralisatie van de materiële bekostiging naar de scholen. Schoolbesturen kunnen in onze ogen kiezen om het bij de gemeente te laten, maar bijna alle schoolbesturen willen met veel plezier deze taak op zich nemen. Kan het kabinet ons verder aangeven hoe het gaat met de inzet van de extra middelen voor scholenbouw naar aanleiding van het crisispakket van afgelopen maart? Er zijn nog veel onduidelijkheden over de rol van de gemeente als medefinancier. We ontvangen signalen dat gemeenten niet mee willen werken. Eventueel motie/amendement.

  2. In het lijstje van verantwoordelijkheden waar ze thuis horen de volgende vraag: waarom geldt in het PO nog de verplichte deelname aan het vervangingsfonds terwijl deze in het VO reeds is afgeschaft? Dit vervangingsfonds zorgt er niet voor dat scholen geprikkeld worden om goed werkgeverschap te ontwikkelen. Bovendien profiteren grote schoolbesturen meer van het vervangingsfonds dan de kleinere. Dus wat ons betreft schrappen die verplichting. Eventueel motie/amendement.

  3. In de afgelopen jaren hebben we herhaaldelijk van gedachten gewisseld over de demografische ontwikkelingen. Lange tijd werd door u verondersteld dat scholen dat probleem maar zelf zouden moeten oplossen. Maar dat is in sommige regio’s echt te veel gevraagd. Noord-oost Groningen, Limburg en Zeeuws Vlaanderen zijn hier de duidelijkste voorbeelden van. Afgelopen voorjaar heeft het CDA u daarom gewezen op de gevolgen van demografische krimp voor de scholen en opgeroepen na te denken over de gevolgen van krimp. Kunt u al een tipje van sluier oplichten? De Raad voor Financiële verhoudingen en de ROB hebben aangegeven dat voor het onderwijs een apart regime zou moeten gelden. Wat gaat u daaraan doen?

  4. de betrouwbaarheid van de overheid moet een permanente zorg zijn van iedere politicus. Want zij controleert de regering. De samenleving moet kunnen bouwen op de overheid en niet herhaaldelijk voor  verrassingen worden geplaatst. Daarom moet de overheid consistent zijn in zijn redeneringen. En bij een voorgestelde maatregel van dit kabinet lijkt het er op dat dit niet het geval is, namelijk de groeitelregeling in het PO. De overheid bekostigt scholen op basis van het aantal leerlingen, niet een schoolbestuur. Maar bij de groeitelregeling doet ze dat wel. Dat is inconsistent. Het CDA is van mening dat dit gelijkgetrokken moet worden en ook de groeitelregeling op basis van leerlingenaantal dient te geschieden.

          Goed onderwijs 

  1. De kwaliteit van het onderwijs moet goed zijn, dat staat voor de leden van het CDA als een paal boven water. In juli heeft het CDA dan ook een initiatiefwetsvoorstel ingediend bij de Raad van State die de periode waarin nieuw bekostigde scholen niet voldoen aan de belangrijkste deugdelijkheidseisen en kan worden ingegrepen via bekostigingssancties bekort tot het uiterste minimum. Dit was ook de reden waarom het CDA de wet Goed Bestuur heeft gesteund. Elk kind heeft recht op goed onderwijs. De Onderwijsinspectie ziet daarop toe en heeft een onaantastbare positie. Maar met de constatering van de onderwijsinspectie dat de kwaliteit van een school omhoog kan, is de kwaliteit nog niet verbeterd. Scholen moeten die vervolgstap zelf zetten en daar zien we vaak een handelingsverlegenheid. Om die verlegenheid op te lossen stellen we de volgende stappen voor.
    a. de inspectie geeft in rond Nederlands aan de school aan wat verbeterd kan worden.
    b. daarna stelt de school een plan van aanpak op om de verbeterpunten op te pakken en zowel het verbeterplan als het inspectierapport te bespreken met de ouders en deelnemers.
    c. meer aandacht voor opbrengstgericht werken. Vaak blijkt dat onderwijzers mogelijkheden om de resultaten te verbeteren onbenut laten. Denk aan een meer optimaal gebruik van de leerlingvolgsystemen of het überhaupt in gebruik nemen van dergelijke systemen in vooral het VO.

  2. Iedereen leert het meeste van een ander. Ook leerkrachten. Ze kunnen elkaar een spiegel voorhouden en van elkaar leren hoe ze zaken kunnen aanpakken. Dat vergt een cultuurverandering in het onderwijs. Minder de leerkracht die de koning, keizer, admiraal in zijn eigen klas is. Het CDA ziet de leerkracht als teamspeler, die samen met anderen het onderwijs aan de kinderen zo goed mogelijk wil organiseren en verzorgen. Die erkent dat hij van zijn collega’s dingen kan leren, waar hij zelf minder goed in is. En die een ambitie uitstraalt dat hij beter wil worden in zijn vak. Het CDA stelt dan ook voor dat scholen relaties aangaan met andere scholen, waardoor docenten van de ene school bij de andere op bezoek gaan om te zien hoe deze school de zaken aanpakt. Niet alleen om van die ander te leren, maar ook om deze van advies te voorzien.