Toespraken en Artikelen

13 oktober 2005 00:01 Leeftijd: 5 jaar

artikel over Produktschappen in het Agrarisch dagblad

 

 

In de afgelopen dagen is nogal wat rumoer rumoer ontstaan over de productschappen, en het Productschap Tuinbouw (PT) in het bijzonder. De aanleiding was een verslag van een bijeenkomst van de Nederlandse Vrije Agrariërs Federatie (NVAF) in Zwaag. Zij organiseerde een bijeenkomst, waarin drie Kamerleden werden ingelicht over het NVAF-standpunt over de productschappen. Zware beschuldigingen werden door de NVAF geuit in de richting van het PT. In dit artikel willen we u proberen helder te maken hoe het CDA aankijkt tegen de productschappen.

Was het ontstaan en bestaan van productschappen in de jaren zestig een algemeen geaccepteerd fenomeen, tegenwoordig moeten ze, net als iedere andere instelling, hun bestaansrecht iedere dag weer bewijzen. De overheid en vele andere instellingen, die mensen zien als een ‘vorm van overheid’, staan in het middelpunt van de belangstelling. De indruk bestaat dat het bureaucratische organisaties zijn die onvoldoende luisteren naar de burgers en ondernemers. Dat is voor de productschappen niet anders. In vergelijking met het verleden herkennen minder ondernemers zich in het beleid van de productschappen waarbij het ene productschap beter presteert dan het andere.

Op basis van een evaluatie is begin 2005 een discussie gevoerd binnen de Kamer over dit onderwerp. De CDA-fractie beklemtoonde haar steun voor de productschappen. Het is goed dat alle betrokkenen bij een product samen werken. Dat geldt voor de promotie, de innovatie en vervolgens de ontwikkeling van producten. Daardoor kan de sector als geheel een sterkere internationale en nationale positie krijgen. Kan ervoor worden gezorgd dat het personeel goed wordt opgeleid waardoor de arbeidsproductiviteit van de sector stijgt en het ziekteverzuim daalt. Als we dat aan de individuele ondernemers en bedrijven zouden overlaten, zou dat tot mindere resultaten leiden. Daarom ondersteunt het CDA het bestaan van productschappen van harte.

Dat neemt niet weg dat de productschappen goed en permanent naar hun eigen functioneren moeten blijven kijken. Want een deel van de aangeslotenen, hoe groot dat deel is weet niemand, maar het lijkt wél steeds groter en rumoeriger te worden, heeft het gevoel dat de productschappen niet meer geheel aansluiten bij de belevingswereld van de individuele ondernemer. Een gebrek aan vertrouwen dreigt dan,  en dat zou uiteindelijk het draagvlak kunnen ondermijnen. En dat willen we voorkomen.

Een productschap moet naast de ondernemers en werknemers gaan staan. De ondernemers moeten het gevoel hebben dat het hun productschap is. Dat zij invloed hebben op het beleid van het productschap en dat de effecten van het productschap ook hen ten goede komen. De ondernemers moeten weten wat speelt binnen een productschap, waarvoor zij hun heffingen betalen. Dat zorgt voor een gevoel van draagvlak en ‘mede-eigenaar’ zijn.

Daarin spelen de dragende organisaties een belangrijke rol. Zij zijn de link tussen de productschappen en de ondernemers. Zij moeten in belangrijke mate het draagvlak organiseren. Hun leden raadplegen bij de besteding van de gelden, bij de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten, bij de promotie van hun producten. En terugkoppelen wat de productschappen voor de sector betekenen. Zij zijn in belangrijke mate het instrument om een grotere betrokkenheid van de leden te bewerkstelligen. Als zij niet laten zien wat de effecten zijn van hun inbreng in de besturen van productschappen, dan wordt het moeilijk om het draagvlak onder de leden voor de productschappen te vergroten.

Terecht zal nu gesteld worden dat dit probleem voor sommige productschappen geen opgeld doet. Daar is de steun voor de productschappen vanzelfsprekend en helder voor de achterban. Maar bij de aangeslotenen van andere productschappen is die helderheid er niet. In tegenstelling tot het verleden komen deze ondernemers nu in verzet en uiten ze zware kritiek, terecht of niet. In plaats van deze kritiek te negeren, is het van belang om te bezien hoe de dienstverlening naar de ondernemers verbeterd kan worden. Dan kan het draagvlak voor de productschappen groter worden dan nu. En dat geldt voor alle productschappen. Bij het PT doet zich de situatie voor dat de ene ‘tak van sport’ binnen dat PT gewoon tevreden is, terwijl een ander deel (waaronder dus de NVAF) ronduit ontevreden. Dat vraag nog extra aandacht van het PT. Want het is er tenslotte voor de gehele sector.

Op juist dit thema zullen de productschappen een toekomstverkenning moeten opstellen voor het einde van dit jaar. Ze zullen moeten aangeven hoe ze het draagvlak willen vergroten en hun productschap klaar willen maken voor de komende vijftien jaar. Want voor het CDA hebben de productschappen nog steeds een belangrijke meerwaarde, maar een groot draagvlak voor de productschappen is daarvoor onontbeerlijk.

Jan Mastwijk en Jan Jacob van Dijk zijn lid van de Tweede Kamer namens het CDA en zijn woordvoerder Tuinbouw, respectievelijk woordvoerder Productschappen.