Toespraken en Artikelen

8 september 2005 00:02 Leeftijd: 5 jaar

Bouwers en bouwstenen

 

 

Oratie uitgesproken door Jan Jacob van Dijk bij de aanvaarding van de leerstoel Christelijk Sociaal Denken vanwege het CNV en het SBI aan de Vrije Universiteit.  

“De huidige christelijk-sociale beweging kent een rijke geschiedenis, maar dat betekent niet dat een rijke toekomst gegarandeerd is. Als we kijken naar de fusie van alle christelijk-sociale werkgeversorganisaties met de liberale organisaties, waardoor momenteel alleen het CNV nog een christelijk-sociale organisatie op sociaal-economisch terrein is, wordt het beeld van de huidige christelijk-sociale beweging niet erg vrolijk. Maar dat beeld behoeft aan twee kanten een nuancering. In de eerste plaats zijn er vele maatschappelijke organisaties die zich niet christelijk-sociaal noemen, maar in hun dagelijks handelen naadloos aansluiten bij de christelijk-sociale uitgangspunten. Een tweede nuance kan worden aangebracht door te kijken naar het gedrag van mensen met een kerkelijke achtergrond. Deze mensen doen veel meer vrijwilligerswerk, doneren veel meer aan stichtingen en doen veel meer mantelzorg dan buitenkerkelijken. Daarmee wordt duidelijk dat er nog voldoende potentieel is voor christelijk-sociale organisaties, maar misschien niet meer voor organisaties zoals in het verleden.

Want de uitgangspunten van het christelijk-sociaal denken hebben nog steeds betekenis, ook voor actuele discussies. De manier waarop verantwoordelijkheid verdeeld wordt, hoe de persoonlijke en substantiële verantwoordelijkheid beter gestalte kan krijgen, zijn onderwerpen waar vanuit het christelijk-sociaal denken een zinvolle bijdrage aan kan worden geleverd. Daarom is het jammer dat er aan werkgeverszijde geen christelijk-sociale organisaties meer bestaan.

Ik constateer dat de christelijk-sociale uitgangspunten nog steeds een belangrijke bijdrage aan de discussie over hedendaagse ontwikkelingen, uitdagingen en knelpunten kunnen leveren. En ook dat er nog voldoende potentieel is voor een nieuwe christelijk-sociale beweging. Daarom wordt het tijd om daarvan enige contouren te schetsen. Ik beperk me nu niet meer tot alleen de protestantse vleugel, maar betrek eveneens de katholieke stroming bij de verdere vormgeving.

In de eerste plaats is het van belang dat er een kern van de christelijk-sociale beweging wordt gevormd. Een kern van organisaties die zich bekent tot de christelijk-sociale uitgangspunten, over een voldoende omvang van organisatie en ledentallen. In dit geval kan gedacht worden aan het CNV op het sociaal-economische terrein, de EO en KRO in het medialandschap ( bij de NCRV lijken de identiteitsongevoelige professionals het meer voor het zeggen te hebben dan de leden), de besturenraad en katholieke onderwijswerkgevers op het onderwijsveld en VU-Windesheim voor het wetenschappelijk en hoger onderwijs. Dat is de spil.

Er zouden meerdere schillen kunnen worden getrokken. Een eerste schil zou gevormd kunnen worden door organisaties die met hun uitgangspunten en doelstellingen nauw aansluiten bij het christelijk sociaal denken. Zoals World Servants en ouderverenigingen voor gehandicapte kinderen.

De tweede schil zou gevormd kunnen worden door personen die zich aangetrokken voelen tot het christelijk-sociaal denken, maar binnen de nieuwe of al langer bestaande zich neutraal noemende maatschappelijke organisaties werkzaam zijn. De nieuwe loten aan de stam zouden in de derde schil zitting kunnen nemen: nieuwe initiatieven die qua gedachtegoed dicht bij de christelijk-sociale beweging zou passen. Netwerken van maatschappelijke ondernemingen of netwerken van bedrijven die zich met maatschappelijk verantwoord ondernemen bezig houden, vaak nog niet geďnstitutionaliseerd, maar wel een onderling netwerk.

De mensen en organisaties uit deze schillen zouden nauw betrokken kunnen worden bij discussies over de toekomst van het christelijk-sociaal denken, de antwoorden die op bestaande en toekomstige knelpunten gegeven zou kunnen worden. Via netwerken, email en internet zouden de banden van deze personen en organisaties nauwer aangehaald kunnen worden. Deze nieuwe mensen zullen opgevoed moeten worden over de identiteit van hun eigen organisatie. Dat is namelijk de basis van iedere identiteitsorganisatie: weten wat de kern is van de identiteit, hoe die in het verleden gestalte kreeg en hoe dat in de huidige en toekomstige tijd gestalte moet krijgen. Daarom is een verantwoorde geschiedenis van de eigen organisatie van groter belang dan menigeen denkt. Is de noodzaak van een identiteitsbewust selectie- en personeelsbeleid voor cruciale beleidsbepalende functies noodzakelijk. En is de scholing van groot belang. Het verdient wat dat betreft aanbeveling om deze scholing breder te laten zijn dan uitsluitend binnen de eigen organisatie: de opbouw van een christelijk-sociaal netwerk is de eerste stap naar een christelijk-sociale beweging.

De christelijk-sociale beweging kan alleen invloedrijk zijn als ze over voldoende massa beschikt. Alleen op die manier kan ze zich op een duurzame wijze mengen in het publieke debat en kan ze uiteindelijk haar doelstellingen bereiken. Vaak wordt dan alleen gekeken naar de ledentallen van organisaties, maar is dat een voldoende beeld? Moet bijvoorbeeld het CNV niet allianties aan gaan met organisaties die dicht tegen hun werkterrein aanliggen, zoals migrantenorganisaties, milieuorganisaties en patiëntenverenigingen?

In de tweede plaats zouden christelijk-sociale organisaties weer terug moeten naar een goede invulling van het begrip lid. Om en nabij de eeuwwisseling was het begrip sociale ANWB veelvuldig te horen als het ging om de toekomst van de vakbeweging. De leden moesten als klanten worden gezien. Maar dat is het CNV niet en moet het ook niet worden. Het lidmaatschap van een organisatie betekent meer: invloed op het beleid. En niet via het modieuze verschijnsel van referenda, want dat levert alleen maar schijninvloed op. Het moet gaan om invloed van leden op het moment dat het er werkelijk toe doet.

Maar slechts naar de leden luisteren maakt het moeilijk om de uiteindelijke doelstellingen te bereiken. Iedere organisatie kan zijn doel slechts bereiken door ruilrelaties met tegenspelers aan te gaan. Om dat goed te kunnen, moeten organisaties macht ontwikkelen. Dat kan op twee manieren: macht gebaseerd op de steun van leden – logic of membership – dan wel macht gebaseerd op de invloed die ze hebben op hun tegenspelers – de logic of influence. De beste garantie op een duurzame machtspositie is het evenwicht bewaren tussen beide bronnen van macht. Te veel alleen maar luisteren naar de leden maakt het lastig om de doelstellingen te realiseren. Daarom is een belangrijke rol voor de leiding van maatschappelijke organisaties weggelegd om er voor te zorgen dat het evenwicht wordt bewaard. Dat is pas goed leiderschap.

Om christelijk-sociaal kapitaal te scheppen zijn leden nodig. Belangrijk is dat die leden in staat worden gesteld om elkaar te ontmoeten, te inspireren en misschien zelfs wel te bemoedigen. Dat is een belangrijke taak van christelijk-sociale organisaties.

In het voorgaande is gesproken over de invloed van de leden op het beleid van christelijk-sociale organisaties, maar zouden we de vraag ook niet moeten omdraaien. Moet de christelijk-sociale beweging niet aanwezig zijn bij de keuze die de leden moeten maken? Denk aan de nieuwe zorgverzekering: de overheid komt met voorlichting, de zorgverzekeraars zullen ons overstelpen met allerlei informatie, maar waarom leveren maatschappelijke organisaties geen feitelijke informatie aan hun leden over wat de keus voor het ene betekent in vergelijking met een keus voor het andere? Zo kan een maatschappelijke organisatie betrokken worden bij de keuze die hun leden maken.

Hiermee is een schets gegeven waarlangs een nieuwe christelijk-sociale beweging kan worden opgebouwd. Want bouwers zijn er: de mensen die zich aangetrokken voelen tot het christelijk-sociaal denken. De bouwstenen zijn voorhanden: de uitgangspunten van het christelijk-sociaal denken. Nu moet het cement nog worden gevonden: de nieuwe christelijk-sociale beweging waardoor de christelijk-sociale architectuur van de samenleving in een  woonbaar huis kan worden omgezet.”