8 maart 2008 17:04 Leeftijd: 3 jaar

Enkele beschouwingen over solidariteit

 

Inleiding

Een jaar of tien geleden bezocht ik de Franse communistische vakbond CGT. Ik was uitgenodigd om een inleiding te verzorgen over de sociale dialoog in Europa en mijn zienswijze daarop. Na mijn inleiding werd ik uitgenodigd voor de lunch. Voordat de tafel gedekt was wisselden we even van gedachten over de actuele politiek situatie in Frankrijk. Door de bestuurders van de bond werd mij duidelijk gemaakt dat de Franse regering was overgegaan tot het beperken van het drinken van alcohol in het verkeer. Ik als niet drinker toonde mij een groot voorstander van deze maatregel. “Mais monsieur, c’est le fin de la solidarité!”. Ik keek hen verbaasd aan. Omstandig legden ze me uit dat de Franse arbeiders gewoon waren om tussen de middag thuis te eten en bij de lunch hoort nu eenmaal wijn. Rijke mensen zouden een taxi kunnen bestellen om weer naar het werk te gaan, de arbeiders hadden daar het geld niet voor. Daarmee was een einde gekomen aan de solidariteit tussen de armen en de rijken.

 

Deze invulling van solidariteit zal weinig Nederlanders direct voor ogen hebben gestaan bij een discussie over de toekomst van de solidariteit. Maar dit voorbeeld toont wel het probleem van dit begrip aan. Het begrip solidariteit is zo langzamerhand verworden tot één van de meest gebruikte begrippen. Veel mensen verklaren zich solidair. Kijk naar het politieke debat, sla de kranten er op na en kijk naar de televisie en gemiddeld horen we het begrip solidariteit minimal drie maal per dag langs komen. Te pas en te onpas wordt het begrip gebruikt. Als ons een voorstel niet aanstaat, dan betitelen we het als een voorstel dat de solidariteit aantast. Of, andersom, als een voorstel onze warme ondersteuning verdient, dan vinden we het juist erg solidair. Hiermee is het begrip solidariteit verworden tot een hol begrip: we zijn solidair, maar wat dat nu precies inhoudt vergeten we er even bij te vermelden.Wat mij betreft moet de discussie worden geopend over de invulling van het begrip solidariteit. Het begrip verdient een betere toekomst dan alleen maar als een holle frase verder door het leven te gaan.

In dit artikel wil ik een bijdrage leveren aan die invulling. In het eerste hoofdstuk ga ik in op de achtergronden van het begrip: de herkomst van het begrip, de soorten solidariteit die binnen de wetenschap worden onderscheiden en de manier waarop de twee belangrijkste politieke stromingen er mee om zijn gegaan. Het laatste deel zal ingaan op de manier waarop binnen de christelijk-sociale beweging is omgegaan met de solidariteit: in de instituties, maar eveneens op de manier waarop de solidariteit nader werd ingevuld.

Want het waren vooral de instituties die waren aangewezen om de solidariteit gestalte te geven. De sociale zekerheid, de woningbouwverenigingen, zorginstellingen en onderwijs werden in de twintigste eeuw opgebouwd om een solidaire samenleving op te bouwen. Al deze instituties tezamen vormen de verzorgingsstaat. Deze is in de afgelopen zestig jaar tot stand gekomen. Verschillende instrumenten zijn ingesteld om deze solidariteit uit te voeren. Zijn deze instrumenten adequaat geweest in de afgelopen jaren en zijn ze dat ook nog voor de toekomst, gezien de nieuwe ontwikkelingen die op ons afkomen? Zijn er groepen in de Nederlandse samenleving die minder tot hun recht gekomen zijn en heeft dat de solidariteit tussen bepaalde groepen aangetast? Deze analyse kan ons helpen om te formuleren welke uitdagingen we hebben voordat we kunnen spreken over een solidaire houding, over een samenleving waarin de solidariteit weer serieus gestalte heeft gekregen.


Hoofdstuk 1: enkele theoretische beschouwingen over solidariteit

 

Oorsprong van het begrip solidariteit

In de oude Griekse en Romeinse filosofische geschriften zullen we het begrip solidariteit tevergeefs zoeken. Het werd eenvoudigweg niet gebruikt. Pas bij de eerste christengemeenten, aan het begin van de jaartelling komen we een verwant begrip tegen: broederschap. De geloofsgenoten van de eerste christengemeenten noemden elkaar broeders. De leden van deze geloofsgemeenschap deelden dezelfde waarden. Op basis van die gedeelde waarden, die zich uitte in de liefde voor elkaar, steunden de leden elkaar onderling. De onderlinge steun tussen de broeders was dus gebaseerd op broederliefde en zorgde voor de broederschap. Dit begrip zien we in de Middeleeuwen steeds weer terugkomen bij de oprichting van diverse religieuze broederschappen (fraterinitas), bijvoorbeeld bij de Franciscanen. In de stedelijke culturen werd het begrip broederschap gekoppeld aan de gilden (cofraternitas). Een van de doelstellingen van de gilden was de bestrijding van risico’s. De onderlinge steun en hulp was een centraal element binnen de gilden. Ook hier gold dat het vooral om onderlinge hulp en steun ging, tussen mensen met een vergelijkbare positie, normen, waarden en kennis.

Binnen de vrijmetselarij werd in de vijftiende eeuw het begrip broederschap voor het eerst losgemaakt van de christelijke oorsprong. Ook de Macons, de vrijmetselaars, spraken elkaar aan als broeders. De vrijmetselaren gingen uit van het gelijkheidsbeginsel: ongeacht de standen- en klassenverhoudingen waren vrijmetselaren verplicht elkaar bij te staan.[1] Opvallend is dat ook hier de broederschap beperkt bleef tot de leden van de vrijmetselarij.

In het moderne taalgebruik is het begrip solidariteit meer in zwang geraakt dan het oude begrip broedergemeenschap, hoewel het in belangrijke mate op hetzelfde doelt: lotsverbondenheid tussen de broeders van de broederschap, oftewel tussen de mensen die deel uitmaken van een gemeenschap. Het begrip broederschap heeft zijn eigen geschiedenis gekregen bij de leuze van de Franse revolutie. Zoals meerdere onderzoekers hebben aangetoond is het begrip broederschap pas later aan de leuze ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ toegevoegd. Robespierre introduceerde het pas bij de eerste herdenking van de bestorming van De Bastille. In plaats van ‘broederschap’ had net zo goed voor ‘vrede’ kunnen worden gekozen. De manier waarop het begrip broederschap door de navolgers van de Franse revolutie is benaderd heeft in belangrijke mate te maken met de drieslag van de Franse revolutie. Bij de liberalen en de socialisten stonden altijd de begrippen vrijheid en gelijkheid voorop. Dat kleurde hun manier waarop met de broederschap werd omgegaan.

 

Belang van het begrip solidariteit voor de samenleving

De moderne sociologie bestudeert de samenleving en de onderlinge relaties binnen die samenleving. Al bij de grondleggers van de moderne sociologie had het begrip solidariteit van meet af aan de volle aandacht. Zowel E. Durkheim als M. Weber besteedden aandacht aan dit begrip, zij het op een verschillende wijze. Durkheim beschouwde het begrip vanuit een macro-optiek. Volgens hem zorgde solidariteit ervoor dat een samenleving niet uit elkaar zou vallen. Solidariteit zorgde namelijk voor de binding van het individu aan de maatschappij. Hij onderscheidde twee vormen van binding: de morele of culturele binding tegenover de objectieve of structurele binding. In het eerste geval was de binding gebaseerd op gemeenschappelijke normen en waarden, waardoor een gezamenlijke identiteit zou ontstaan. Maar binding kon ook ontstaan door specialisatie en arbeidsdeling, waardoor een wederzijdse afhankelijkheid ontstond. Dat duidde hij als de structurele binding. Durkheim beschouwde de culturele binding de basis van de mechanische solidariteit, die vooral in voormoderne samenlevingen aanwezig was. In de moderne samenleving ging het vooral om de organische solidariteit. Voor Durkheim was solidariteit noodzakelijk voor het bestaan van gemeenschappen, omdat de binding tussen individuen en groepen de enige mogelijkheid was om er voor te zorgen dat de collectieve belangen zouden worden behartigd.

Weber bekeek het minder vanuit een macro-optiek. Solidariteit was voor hem cruciaal in de vormgeving van relaties tussen individuen. Indien relaties de belangen van de afzonderlijke individuen zouden overstijgen was er volgens hem sprake van solidaire relaties. Als de solidariteitsgevoelens gebaseerd waren op het gevoel bij elkaar te horen, spreekt Weber van Vergemeinschaftung. De basis daarvan kon liggen in een affectueel-emotionele achtergrond, traditie of culturele achtergrond. Maar als een rationele overeenkomst ten grond slag lag aan het solidair handelen spreekt Weber van Vergesellschaftung: het beoogt een zekere nuttigheid die voor beide partijen voordelig is.

Voor beide auteurs speelde het begrip solidariteit een cruciale rol bij relaties en de opbouw van een samenleving. Indien een samenleving voldoende solidariteit kende, was het mogelijk om collectieve belangen te behartigen. De hoofdbron van solidariteit was de onderlinge lotsverbondenheid tussen individuen en groepen. Er waren twee soorten lotsverbondenheid: of men voelde zich één, identificeerde zich met elkaar, of men was afhankelijk van elkaar voor het verwerven van de levenskansen. De eerste is lotsverbondenheid op basis van identiteit, in het tweede is er sprake van lotsverbondenheid op basis van utiliteit.[2] De conclusie van beide auteurs was dat zonder solidair gedrag een gemeenschap uit elkaar zou vallen. Maar hoe de solidariteit vorm en gestalte moet krijgen is plaats en tijd afhankelijk.

 

Onderscheidingen in solidariteit

In de literatuur worden verschillende vormen van solidariteit onderscheiden. Zo komt in veel onderzoek het onderscheid tussen eenzijdige en tweezijdige solidariteit naar voren. In het eerste geval doe je iets voor een ander zonder dat je een tegenprestatie verwacht, nu of in de toekomst. Bij wederkerige solidariteit is iemand solidair met een ander in de veronderstelling dat de ander ook solidair is met hem of haar. In het eerste geval gaat het om charitas. Bij de tweede vorm speelt echter het welbegrepen eigenbelang een belangrijke rol. Men is solidair vanuit een band tussen personen, gebaseerd op vergelijkbare risico’s die men loopt. Om die risico’s te verminderen worden ze gedeeld, zoals in het geval van verzekeringen.

Een tweede onderscheid betreft de reikwijdte of de schaal van solidariteit. Mensen kunnen zich solidair voelen met mensen om de hoek, in hun eigen buurt of met de mensen in de minst ontwikkelde landen. Solidariteit wordt in feite afhankelijk gesteld van de gemeenschap waarmee men zich solidair voelt.

Een derde onderscheid is afkomstig van Van der Wal. Deze ethicus onderscheidde in de jaren negentig van de vorige eeuw belangen-, groeps- en humanitaire solidariteit. Dit paste hij met name toe op de gezondheidszorg. Belangensolidariteit berust op het welbegrepen eigen belang. Het is vergelijkbaar met de eerder genoemde tweezijdige solidariteit, zij het dat Van der Wal opmerkte dat deze vorm van solidariteit slechts zo lang gevoeld wordt als de belangen parallel lopen. Indien dat niet meer het geval is, verdwijnt deze vorm van solidariteit. Groepssolidariteit geldt als mensen binnen een gemeenschap elkaar helpen omdat men deel uitmaakt van die gemeenschap. Ze helpen elkaar niet vanwege de voordelen die dat voor het individu biedt, maar omdat ze zich met elkaar verbonden voelen vanwege het gemeenschapsgevoel.  Eigenlijk is het een exclusieve manier van denken: het gaat om mensen binnen de gemeenschap, er is geen solidariteit met de mensen daarbuiten.

Humanitaire solidariteit vertrekt vanuit de uitgangspunten hoe mensen met mensen dienen om te gaan. Het gaat om de eis van humaniteit. Ter ondersteuning van deze stelling wees Van der Wal op het existentiële risico van de natuur. Humanitaire solidariteit houdt in dat men bereid is om een deel van het existentiële risico van mensen over te nemen. Een sociale gemeenschap speelt in deze een belangrijke rol. Een gemeenschap is bereid om mensen die het minder getroffen hebben, uit de gure wind van het bestaan te halen en hun een zekere beschutting te bieden.

Een vierde onderscheid is solidariteit op korte en op lange termijn. Een verhoging van alle uitkeringen met 10% kan een uiterst solidair voorstel lijken, maar is dat vooral op de korte termijn. De vraag is namelijk of dit voorstel ook op de langere termijn solidair is en geen zware hypotheek legt op de invulling van solidariteit in de toekomst.

Een weinig onderzocht onderscheid is de tegenstelling tussen vrijwillige en opgelegde solidariteit. In iedere samenleving bestaat een opgelegde solidariteit via de belastingheffing en de sociale zekerheid. Op die manier wordt iedereen verplicht een deel van zijn inkomen ter beschikking te stellen van mensen die dat harder nodig hebben dan hijzelf. Vrijwillige solidariteit krijgt gestalte via de donaties aan goede doelen en vrijwilligerswerk. Er bestaat in Nederland nog steeds een hoge participatie van vrijwilligers - hoewel er duidelijke verschuivingen optreden - en de giften aan goede doelen zijn nog steeds royaal. Toch dringt de vraag zich op of opgelegde solidariteit en vrijwillige solidariteit geen communicerende vaten zijn. Naarmate opgelegde solidariteit groter wordt zal vrijwillige solidariteit afnemen, een proces dat met de term ‘crowding out’ wordt aangeduid. 

 

Solidariteit binnen politieke stromingen

Na deze beschrijving is duidelijk geworden dat de verzamelterm solidariteit in de wetenschap op verschillende manieren wordt ingevuld. Ook binnen politieke stromingen wordt op een verschillende manier met het begrip omgesprongen. De Noorse wetenschapper Stjernř heeft in zijn boek Solidarity in Europe. The history of an Idea een goed overzicht geboden.[3] Daaruit zal ik in deze paragraaf in belangrijke mate putten.

Bij de Franse voorlopers op de sociaal-democratische stroming, zoals C. Fourier, werd het begrip solidariteit als tegenwicht tegen de veranderende samenleving geďntroduceerd. Door de modernisering van de Europese samenleving aan het begin van de negentiende eeuw werden bestaande ondersteuningspatronen doorgesneden. Om een combinatie te vinden tussen het opkomend individualisme, de opkomst van individuele rechten en vrijheden, en de gedachte van gemeenschap en cohesie werd solidariteit als de oplossing gezien. Het was bedoeld als een inclusief begrip om daarmee de sociale integratie te bevorderen.

Bij de aartsvader van de sociaal-democraten, Karl Marx, lag de basis van solidariteit in het realiseren van de belangen van de klasse. Zijn begrip solidariteit betrof alleen solidariteit voor de werkende klasse. Het doel was de realisering van de socialistische heilstaat. De oriëntatie was sterk collectief gericht, het individuele belang moest ondergeschikt worden gemaakt aan het klassenbelang van de arbeiders. Lenin was nog extremer: de autonomie van de individu moest onderdrukt worden, omdat niets het collectieve belang in de weg mocht staan.

De klassieke sociaal-democratische opvatting over solidariteit, zoals die ontstond onder invloed van Eduard Bernstein, erkende wel de waarde van de individuele vrijheden. Solidariteit zou niet meer beperkt moeten blijven tot de arbeidende klasse, maar moest de gehele bevolking van een natie omvatten. Het doel was het scheppen van een gemeenschapsgevoel.

Het kostte enige tijd voordat het begrip solidariteit zijn weg vond in de diverse partijprogramma’s van de sociaal-democratische partijen. De Scandinavische partijen waren aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de eersten. Zij beperkten de reikwijdte van het begrip tot solidariteit tussen de arbeiders onderling. De ontwikkeling van een sociaal-democratische visie op solidariteit liet nog een halve eeuw op zich wachten. Vanaf dat moment werd het in vrijwel alle sociaal-democratische partijen, met uitzondering van de Zuid-Europese, als een basiswaarde van de sociaal-democratie gezien. Voor Frankrijk en Spanje duurde het tot de jaren tachtig voordat het begrip als een basiswaarde werd geaccepteerd.

 

Naast de sociaal-democratie werd ook in religieuze kringen nagedacht over het begrip solidariteit. Omdat de sociaal-democratie het begrip volledig in het teken van de klassenstrijd had geplaatst, kon het begrip solidariteit pas volledige ingang in de katholieke en protestantse opvattingen vinden toen het ontdaan was van deze koppeling. Binnen de christelijke theologie was de associatie met het begrip echter al veel langer aanwezig. Verschillende begrippen duiden daarop. Zo is er het Griekse begrip agape, dat zowel duidt op de liefde van God naar alle mensen als op de liefde die alle mensen naar elkaar behoren te hebben. Een tweede aanduiding kan gevonden worden in het bijbelse ‘heb uw naaste lief als u zelf’, wat later werd vertaald in het begrip charitas. In de derde plaats bestond er het begrip broederschap, dat inhoudt dat mensen alles met elkaar delen zoals in een gezin. Tot slot kregen mensen vanuit het evangelie de opdracht om de wereld waarin ze leven zo goed mogelijk in overeenstemming met de beginselen van het evangelie te brengen.

Er is een duidelijk onderscheid tussen katholieke en lutherse opvattingen. Binnen de katholieke kerk speelde de opvatting van Thomas van Aquino een belangrijke rol. Hij leerde dat het geloof zijn weg moet vinden in de politiek. Door goede werken te doen worden mensen na hun dood beloond. De zorg voor de behoeftigen, de liefdadigheid, is een plicht voor iedere burger. Een belangrijk uitgangspunt is de gemeenschap: ieder individu behoort tot een bepaalde gemeenschap. Deze sociale integratie kan als een belangrijke wortel voor latere solidariteit worden gezien.

Pas aan het einde van de negentiende eeuw werd onder leiding van paus Leo XIII de opening naar de moderne wereld gecreëerd. In zijn encycliek Rerum Novarum wordt de zorg voor de werkende klasse benadrukt. Hij stelde niet dat de overheid deze zaken moet regelen, maar vooral dat het maatschappelijk middenveld, de goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers, een speciale verantwoordelijkheid hierin heeft. Veertig jaar later werkte paus Pius XI deze gedachte verder uit en introduceerde het sociaal rechtvaardig gezinsinkomen: het inkomen moest voldoende zijn om een gezin te onderhouden. Omdat solidariteit nog te veel werd geassocieerd met de klassenstrijd werd dit begrip niet genoemd, maar wel de begrippen sociale integratie en sociale rechtvaardigheid. Pas in de jaren zestig vond het begrip solidariteit voor het eerst zijn weg in de pauselijke encyclieken Mater et Magistra en Populurum Progressio. Opvallend is dat het begrip solidariteit niet tot de eigen klasse of groep beperkt bleef, maar vooral naar buiten werd vertaald, richting de behoeftigen in de samenleving en de Derde Wereld. Dit in tegenstelling tot de sociaal-democratie, waar solidariteit vooral beperkt bleef tot de eigen groep.

Binnen de lutherse kerken was de tweerijkenleer dominant. De hemel wordt geregeerd door het woord van God, deze wereld vanwege de zonde door de menselijke wetten en het zwaard. Op grond van dit onderscheid waren de lutheranen lange tijd van mening dat de kerk zich niet met de wereldlijke macht moest bemoeien. Pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam hierin verandering en kwam de kerk tot de overtuiging een verantwoordelijkheid te moeten dragen voor de wereld. Dat kwam het duidelijkst tot uitdrukking in de uitspraken van de Wereldfederatie van Lutheranen.

De ontwikkelingen binnen de kerken misten hun uitwerking op de christen-democratische partijen niet. Net zoals de kerken moeite hadden om het in hun ogen te veel met de klassenstrijd verbonden begrip solidariteit te gebruiken, duurde het tot de jaren zestig van de vorige eeuw totdat christen-democratische partijen het in hun partijprogramma’s terug lieten komen. In tegenstelling tot de sociaal-democraten pasten zij het vooral toe op groepen buiten hun eigen doelgroep: de Derde Wereld en de welvaartsstaat in zijn algemeenheid.

Vanuit de christen-democratie is het geen keuze om solidariteit te betuigen. In de thomistische filosofie is de onderlinge verbondenheid een belangrijk gegeven. De kosmos is geschapen als een geordende werkelijkheid, waarin alles met elkaar verbonden is, waarin elk deel slechts waarde en zin heeft in relatie tot het geheel en waarin solidariteit een ontologische fundering heeft. De onderlinge verbondenheid ligt dus in de schepping besloten. Van daaruit ontstaat solidariteit, waarbij iedere tijd zijn eigen geactualiseerde invulling van het begrip vraagt. Het is in deze filosofie dus niet de vraag of mensen solidair moeten zijn; dat zijn ze van nature.

 

Hieruit blijkt dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de twee politieke hoofdstromingen die beide een grote claim op het begrip leggen. Ook is duidelijk dat beide een andere invulling geven van de groep waarmee zij zich solidair voelen. In het vervolg van deze bijdrage zal ik voornamelijk ingaan op de christelijk-sociale invulling van solidariteit, waarbij enkele vragen worden opwerpen, zonder alle antwoorden te kunnen presenteren. Er staan twee vragen centraal: met wie zouden we ons solidair moeten voelen? En wie is verantwoordelijk voor solidariteit?

 

PM: Calvinsten

(Neo-)liberalen

Islam

 

Met wie?

Dit is de meest cruciale vraag: met wie behoor ik mij verbonden te voelen, zo sterk dat ik mijn eigen belangen opzijzet ten behoeve van die ander? Op het eerste gezicht is het vanuit het christelijk-sociaal denken vrij gemakkelijk om het antwoord te geven. Vaak wordt verwezen naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Dat was immers het antwoord dat de Messias gaf op de vraag wie onze naaste is. Het antwoord op die vraag kan gelijk gesteld worden aan het antwoord op de vraag wie tot onze gemeenschap behoort: iedereen, ook degene aan wie we in eerste instantie niet denken.

Maar is dit een voldoende antwoord? Een beschrijving van een actueel onderwerp kan de dilemma’s hiervan duidelijk maken. In het kader van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt vaak gesteld dat dit beleid de ontwikkeling van de landbouw in de Derde Wereld niet ten goede komt. De bescherming van de Europese markten tegen invoer van Afrikaanse en Amerikaanse rietsuiker maakt het de lokale producenten onmogelijk zich verder te ontwikkelen. Op het eerste gezicht is het antwoord op dit probleem simpel: open de markten voor deze Afrikaanse rietsuikerboeren. Mijn broeder is immers de Afrikaanse boer. Maar die Groningse boer dan, behoort die ook niet tot mijn gemeenschap? En die werknemer van de CSM in Hoogkerk? En als ik de markt open gooi voor alle rietsuikerproducenten en weet dat de Braziliaanse grootgrondbezitters voornamelijk hiervan profiteren, hoe moet ik dan concrete keuzes maken?

Het zal duidelijk zijn dat solidariteit met de ene groep een beperking oplevert van de solidariteit met een andere groep. In het dagelijkse handelen zullen we keuzes moeten maken, die ons vaak voor onmogelijke dilemma’s plaatst. Hoe uit deze dilemma’s te komen kan niet via een sluitend schema worden bepaald. Trouwens, de keuze voor de ene of de andere groep verschilt per politieke stroming en is vooral afhankelijk van de voorkeur voor de vorm van solidariteit, zoals hierboven aangegeven. Vanuit het christelijk-sociaal denken wordt de nadruk gelegd bij de meest kwetsbaren. Als er al een keuze gemaakt moet worden, dan zal

deze ten gunste van hen moeten liggen. De vraag kan echter gesteld worden of de toepassing van solidariteit onbeperkt is. Of gelden hiervoor grenzen?

Ook voor de beantwoording van deze vraag kan teruggegrepen worden op het Evangelie en wel op de parabel van de heer die zijn knechten de beschikking gaf over zijn talenten. Na ommekomst vroeg hij hen verantwoording af te leggen over de omgang met hun talenten en strafte degene die geen gebruik had gemaakt van zijn talenten.[4] Ook kan verwezen worden naar de parabel van vijf wijze en vijf dwaze maagden.[5] De les uit deze parabel kan zijn dat mensen zich mogen voorbereiden op hun eigen toekomst, passend binnen de mogelijkheden en talenten waar ze over beschikken. Als iemand die talenten niet wil benutten, dan moet deze persoon op zijn persoonlijke verantwoordelijkheid worden gewezen.

 

Wie moet de solidariteit gestalte geven?

Voor de beantwoording van de tweede vraag is het goed terug te grijpen op de wortels van het christelijk-sociaal denken, zoals de eerdergenoemde encycliek Rerum Novarum. De mens wordt hierin gezien als een sociaal wezen, die geschapen is om in gemeenschap met anderen te leven. Er geldt echter een bepaalde hiërarchie: de mens wordt als eerste beschouwd, daarna de samenlevingsverbanden die hij sticht en tot slot de staat als de juridische organisatie van de samenleving. Door de mens voorop te plaatsen wordt geen pleidooi gehouden voor individualisme. Integendeel, de nadruk ligt op de samenlevingsverbanden die door mensen worden gesticht. Die samenlevingsverbanden zijn geen optelsom van individuen, maar moreel-organische gemeenschappen, die berusten op de sociale natuur van de mens.

Binnen protestants-christelijke kring formuleerde A. Kuyper de rol voor de overheid aan de hand van de armoedeproblematiek in de negentiende eeuw. Volgens Kuyper lag de oplossing niet in geld, maar moest de problematiek bij de oorzaak worden aangepakt. “Een barmhartigheid die alleen geld en niet ook zichzelven weet te geven is nog de christelijke liefde niet.” Volgens hem moest in de eerste plaats het vertrouwen op en het geloven in God worden erkend. Daarmee werd erkend dat er een door God gegeven natuurlijke orde is. Zo tekende hij verzet aan tegen de opvattingen van de socialisten en liberalen die een door de mens geschapen orde zouden willen, omdat deze zou leiden tot willekeur. Verder wees hij op de rol van de staat en van de maatschappij. De staat moest de maatschappij niet overheersen of omgekeerd. Dat zou de door God gegeven orde vernietigen. Beide hadden hun eigen soevereine rol: “En dat de sociale quaestie niet naar recht kan opgelost, tenzij ge die tweeheid eerbiedigt, en zoo het gezag hoog houdt, als paden effent voor het vrije initiatief de maatschappij.”

Sommigen concludeerden hieruit dat er geen enkele rol voor de overheid was weggelegd binnen de opvattingen van Kuyper. Dat is een misvatting. In diezelfde rede gaf Kuyper aan dat de overheid er is om het recht van God op aarde te bestellen en dat recht te handhaven. Mochten er conflicten zijn tussen de verschillende levenskringen, dan moet de overheid rechtspreken. Het mag niet zo zijn dat het recht van de sterkste gaat gelden in conflicten tussen levenskringen.
Met andere woorden: zowel binnen de katholieke als binnen de protestants-christelijke kring wordt eerst de verantwoordelijkheid gelegd bij de samenleving en pas daarna bij de overheid. Deze opvatting was aanvankelijk een stap vooruit in vergelijking met de destijds heersende opvattingen over de rol van de overheid in de samenleving. De nachtwakersstaat vierde hoogtij, terwijl de samenleving een drastische overgang doormaakte van een agrarische naar een zakelijker geďndustrialiseerde samenleving. Door deze veranderingen en de terughoudende rol van de overheid ontstonden misstanden. Voorbeelden hiervan zijn de slechte positie van de arbeider binnen de onderneming, het gebrek aan zorg in geval van ziekte en de ontbrekende sociale woningbouw in snel groeiende steden. Vooral kerkelijke organisaties en particulieren bekommerden zich om het lot van de lagere en middenklassen van de samenleving. Talloze organisaties werden opgericht om in het ontstane gat te springen. Ze boden zorg in de meest brede zin van het woord. Aan het einde van de negentiende eeuw en begin van de twintigste eeuw zorgden woningbouwverenigingen voor de bouw van sociale woningbouw en werden ziekenhuizen, scholen, vakbonden en werkgeversorganisaties opgericht.

Er was een rijke voedingsbodem ontstaan voor het particuliere initiatief als gevolg van het liberale politieke klimaat. Vooral op het sociaal-economische terrein bestonden al neutrale, liberale of sociaal-democratische organisaties. Bovendien bestond er openbaar onderwijs. Wat was er aan de hand dat juist in die tijd veel christelijk-sociale organisaties werden opgericht? In de eerste plaats was door de ‘klokkenist der kleine luyden’ A. Kuyper het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring geďntroduceerd. God had allerlei instellingen in het leven geroepen, ieder met zijn eigen verantwoordelijkheid, taak en machtspositie. Het was niet zo dat een van die instellingen de macht boven de andere instellingen had gekregen. De overheid zou zich niet op alle terreinen van het leven moeten begeven. De samenleving moest zijn eigen verantwoordelijkheid oppakken. De vervolgstap van Kuyper was dat er volgens hem geen enkel terrein binnen het menselijk bestaan is, waarvan God niet roept: ‘Mijn!’. Op elk terrein moesten de christelijke beginselen toegepast worden. Daarom bepleitte hij de oprichting van christelijk-sociale organisaties op alle terreinen van de samenleving. Daarmee was de aanzet gegeven voor het ontstaan van de Nederlandse christelijk-sociale beweging, een samenstel aan maatschappelijke organisaties die zich met elkaar verbonden voelden door de uitgangspunten van het christelijk-sociaal denken.

 

De ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in Nederland

Hoe verging het deze maatschappelijke organisaties? Op het terrein van de zorg, woningbouw, onderwijs, bibliotheken, sociaal-cultureel werk, sportverenigingen en omroepen werden veel plaatselijke organisaties opgericht, die soms overgingen tot de oprichting van een landelijke koepel. Tot aan de jaren zestig, in de periode van verzuiling, gedijden ze goed, zonder financiële ondersteuning van de overheid.

Hierin kwam aan het einde van de jaren zestig verandering. De ervaringen van de crisis in de jaren dertig en nieuwe theoretische inzichten, zoals die van Keynes, hadden na de Tweede Wereldoorlog tot een andere opvatting over de rol van de overheid in de samenleving geleid. Bovendien kon de overheid door de toegenomen welvaart in de jaren zestig een grotere verantwoordelijkheid op zich nemen. Overheden zagen het nut in van het werk dat door maatschappelijke organisaties werd verricht. Ze boden de maatschappelijke organisaties opeens subsidies aan voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden als voorheen. Dat bood maatschappelijke organisaties de mogelijkheid om professionals in dienst te nemen en de kwaliteit van de dienstverlening te vergroten. Na verloop van tijd gingen overheden eisen stellen aan de te verstrekken subsidies. Alleen voor bepaalde projecten werd nog subsidie verleend, mits aan de door de overheid vastgestelde voorwaarden was voldaan. De overheid probeerde op deze wijze een steeds grotere grip op de maatschappelijke organisaties te krijgen. Veel van deze organisaties konden dan ook bijna niet anders meer dan zich voegen in dit patroon, afhankelijk als ze waren geworden van de overheidssubsidies. Door de ruimere financiële mogelijkheden waren professionele krachten ingehuurd en werd een kleiner beroep gedaan op de leden. Die voelden dat haarfijn aan en voelden zich minder verbonden met die maatschappelijke organisaties. Het gevolg was dat de ledentallen terugliepen. De verminderde betrokkenheid bleek tevens uit de lage opkomsten bij algemene ledenvergaderingen en de moeite om bestuursleden te vinden. Bij veel verenigingen leidde dit alles tot een discussie over de rechtspersoon. Zou het niet beter zijn om over te gaan tot een stichting? De afhankelijkheid van de grillen van de leden werd hiermee gereduceerd tot een aanvaardbaar minimum. Op grote schaal was deze ontwikkeling zichtbaar in het onderwijs, het sociaal-cultureel werk, de gezondheidszorg en de woningbouw. Bij de werkgevers- en werknemersorganisaties deed deze ontwikkeling zich veel minder voor.

Echter, de afhankelijkheid van de leden werd ingeruild voor een andere: de afhankelijkheid van de overheid. De overheid ging nu in belangrijke mate bepalen welke activiteiten moesten worden verricht door maatschappelijke organisaties. Immers, ‘wie betaalt bepaalt’. Dat was de eerste forse stap op weg naar de verstatelijking van het maatschappelijk middenveld. Deze stap werd gevolgd door een tweede in de jaren tachtig. Na jaren van forse uitbreiding van de overheidsuitgaven kwamen de kabinetten Lubbers. Daarmee kwam een einde aan de groei van de overheidsuitgaven, wat overheden tot bezuinigingen dwong. Maatschappelijke organisaties ontsprongen daarbij de dans niet. Veelvuldig werd op gemeentehuizen en ministeries de vraag gesteld waarom er nog drie organisaties voor hetzelfde doel zouden moeten bestaan. Het was beter om daar één van te maken, dat scheelde overhead en zou schaalvoordelen opleveren. Dat leek een logische stap, omdat organisaties vaak al intensief samenwerkten in hun contacten naar de subsidieverstrekkers. Het resultaat was dat in het sociaal-cultureel werk, bij ziekenhuizen en woningbouwverenigingen op grote schaal fusies plaatsvonden. Christelijk-sociale organisaties gingen op in zich neutraal noemende maatschappelijke organisaties.

Tijdens de paarse jaren kwam het adagium van het primaat van de politiek naar boven. Dat was de derde stap in het proces van verstatelijking van het maatschappelijk middenveld. Sociaal-democraten en liberalen meenden dat de politiek over elk onderdeel van het maatschappelijk leven moest besluiten. Politici waren immers rechtstreeks gekozen. Ze zagen maatschappelijke organisaties als uitvoerders van hun beleid. Maatschappelijk organisaties konden ingezet worden als het de politiek goed uitkwam, niet vanuit een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en samenleving. Dat wordt functionele decentralisatie genoemd: morgen geef ik ze een stukje bevoegdheid, maar als het mij uitkomt haal ik het overmorgen weer terug.

Het gevolg van dit proces van verstatelijking is dat veel burgers niet meer het onderscheid tussen de overheid en maatschappelijke organisaties kennen: ze worden vaak op één hoop gegooid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vooral door de laatste stap de politiek de schuld krijgt van gebrekkige publieke dienstverlening, terwijl het vaak niet eens om overheidsdiensten gaat. Denk in dit geval aan de woningbouwverenigingen, ziekenhuizen en energiebedrijven.

 

Persoonlijke en collectieve verantwoordelijkheid

De verstatelijking van maatschappelijke organisaties baarde veel christelijk-sociale organisaties grote zorgen. Dat was dan ook de reden dat dit het centrale vraagstuk van het Christelijk Sociaal Congres van 1991 vormde. Dit Congres vond plaats als herdenking van het Sociaal Congres van 1891 en het verschijnen van de encycliek Rerum Novarum in datzelfde jaar. De vacante verantwoordelijkheid werd als de grote, nieuwe sociale quaestie beschouwd: aan de ene kant dat de burger niet meer de ruimte voelde om nog verantwoordelijkheid te dragen, want dat had toch geen invloed meer op het geheel; aan de andere kant dat de overheid maatschappelijke organisaties niet meer in staat stelde om hun verantwoordelijkheid te dragen. Als antwoord op deze beide ontwikkelingen bepleitten de deelnemende organisaties zowel de persoonlijke als de collectieve verantwoordelijkheid. De persoonlijke verantwoordelijkheid gaat ervan uit dat iedere persoon verantwoordelijk is voor zijn eigen keuzes en handelingen, maar dat hij bij alles rekening moet houden met de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. Het is zijn persoonlijke verantwoordelijkheid dat het de gemeenschap goed gaat.[6] De collectieve verantwoordelijkheid vraagt aandacht voor de rol van maatschappelijke organisaties. Zij hebben een authentiek domein waarvoor ze verantwoordelijk zijn. De overheid mag hun speelruimte binnen dat domein niet onnodig beperken, zoals in de jaren zeventig en tachtig wel was gebeurd. Er werd geconstateerd dat te veel bevoegdheden en verantwoordelijkheden bijna stilzwijgend waren neergelegd bij de overheid, waardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid in het gedrang was gekomen. Dat gold in zijn algemeenheid, maar zeker ook bij het vorm geven van solidariteit. Personen en maatschappelijke organisaties zouden een grotere verantwoordelijkheid op dat terrein moeten krijgen en nemen. Deze invulling sluit nauw aan bij humanitaire solidariteit zoals door Van der Wal beschreven.

 

Conclusie

Solidariteit betekent in essentie een onderlinge lotsverbondenheid om de risico’s die mensen in hun leven tegenkomen te verminderen of te bestrijden. De opdracht voor de mens is erin gelegen om zich, rekening houdend met zijn talenten, voor te bereiden op deze risico’s. Daarin heeft de mens als individu een belangrijke verantwoordelijkheid: hij moet zich, gegeven zijn mogelijkheden, voorbereiden op mogelijke risico’s. Dat past binnen het christelijk-sociale begrip persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar aan de andere kant heeft hij ook een verantwoordelijkheid voor het welbevinden van de gemeenschap waar hij deel vanuit maakt. En dat brengt met zich mee dat hij een verantwoordelijkheid heeft voor zijn medemens. Dat de kwetsbaren daarin speciale aandacht vereisen past binnen de humanitaire solidariteit.

Bovendien speelt de collectieve verantwoordelijkheid een belangrijke rol: niet alleen de overheid draagt verantwoordelijkheid, ook maatschappelijke organisaties hebben een authentiek domein, waarbinnen zij verantwoordelijkheid dragen en gestalte behoren te geven aan solidariteit.

 

Hoofdstuk 2: is het huidige solidariteitsinstrumentarium toekomstbestendig

 

Solidariteit betekent in essentie een onderlinge lotsverbondenheid om de risico’s die mensen in hun leven tegenkomen te verminderen of te bestrijden. Daarmee begon de conclusie van het vorige hoofdstuk. In de hedendaagse samenleving komt de solidariteit tot uitdrukking in de verzorgingsstaat. Men zou kunnen zeggen dat de verzorgingsstaat symbool staat voor de manier waarop de samenleving aankijkt tegen de solidariteit.

Het voortbestaan van de huidige structuren wordt een doel in zichzelf zonder dat acht wordt geslagen op de veranderingen in de samenleving en de economische omstandigheden. Iedere samenleving is aan verandering onderhevig. Dat is een ontwikkeling van alle tijden. Maar in sommige periodes gaan de veranderingen sneller dan in andere. Zo is het karakter van de samenleving in de zestiende en zeventiende eeuw in belangrijke mate ongewijzigd gebleven, terwijl de ontwikkelingen sinds de Tweede Wereldoorlog de samenleving drastisch gewijzigd hebben. Een redelijk statische samenleving, gekenmerkt door verzuiling en een grote nadruk op de wederopbouw van Nederland werd in de jaren zestig vervangen door een samenleving waarin de tolerantie en de vrijheid centraal kwamen te staan. De dominante rol van het middenveld werd vervangen door verstatelijking van deze organisaties en een dominante invloed van de overheid. Daar kwam in de jaren negentig een reactie op. De invloed van de overheid moest teruggedrongen worden, maar de invloed keerde niet terug naar de middenveldorganisaties, maar naar geprivatiseerde ondernemingen. Kortom: grote veranderingen binnen de samenleving op grond van veranderde maatschappelijke en politieke inzichten.

Maar ook autonome ontwikkelingen binnen de samenleving missen hun uitwerking niet op de effectiviteit van de verzorgingsstaat. Het toenemend aantal kinderen dat in gebroken gezinssituaties leeft heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt, maar ook voor het onderwijs. Het grote aantal allochtonen met een niet-westerse achtergrond, met een andere culturele achtergrond, leidt tot een meer heterogene samenleving dan in de jaren vijftig. Dat vraagt om een andere werking van de verzorgingsstaat.

Economische ontwikkelingen vragen om andere structuren. Een open economie als de Nederlandse heeft veel te maken met de ontwikkelingen in de landen om ons heen. Dat is nog eens versterkt door de Europese samenwerking. Verplaatsing van bedrijven, het verlies van  instrumenten om de concurrentiepositie ten opzichte van andere EU-lidstaten op korte termijn te beďnvloeden[7], de globalisering en de verdienstelijking van de economie vraagt om een andere werkwijze van een verzorgingsstaat dan een agrarische of industriële economie.

Om deze genoemde redenen is het verstandig om permanent de solidariteitsmechanismen binnen een verzorgingsstaat tegen het licht te houden. Angst voor verandering is een slechte raadgever. Analyses kunnen bijdragen tot een betere werking van de verzorgingsstaat en verbreding van het draagvlak.

Aan de hand van een analyseschema zoals dat is uitgewerkt door de WRR zal nagegaan worden voor welke groepen het huidige instrumentarium gunstiger uitpakt dan voor anderen. Een vergelijking tussen Nederland en de ons omringende landen kan daarbij behulpzaam zijn. In het tweede deel van dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op enkele uitdagingen voor de verzorgingsstaat. In het kader van dit paper kan niet alles worden beschreven. Er is gekozen voor uitdagingen waar de solidariteit in het geding is.

 

Uitdagingen voor de komende jaren

In de discussie over de toekomst van de verzorgingstaat wordt de nadruk vaak gelegd op de zorg. Dat is ook logisch als de oorsprong van de verzorgingsstaat in beschouwing wordt genomen. Aan het einde na de negentiende eeuw maakte Nederland de overgang mee van een traditionele, agrarische samenleving naar een zich industrialiserende samenleving. Dat leverde veel onzekerheden op voor grote delen van de Nederlandse bevolking. De traditionele beroepskansen verschoven van de plattelandsomgeving naar de steden. Een trek naar de steden was zichtbaar, wat leidde tot verpaupering van de steden. Er was grote behoefte aan zorg in de meest brede zin van het woord: sociale zekerheid in geval ziekte, werkloosheid en ouderdom, goede woningen, adequaat onderwijs en gezondheidszorg. Doordat de overheid op veel terreinen nog niet thuis gaf, namen maatschappelijke organisaties deze taken op zich. Na de Tweede Wereldoorlog nam de overheid veel van deze zorgtaken op zich. Die situatie doet zich nog steeds voor. Daardoor wordt de verzorgingsstaat in belangrijke mate geďdentificeerd met zorg en sociale zekerheid.

Maar terecht constateert de WRR dat de verzorgingsstaat meer functies heeft. Naast de verzorgende en verzekerende functie, bestaat ook de verheffende en verbindende functie van de verzorgingsstaat. Deze functies hebben in de afgelopen minder de aandacht gekregen, maar zullen in de komende jaren meer nadruk moeten krijgen. Met verheffen duidt de WRR op het aanreiken van vaardigheden aan individuen en groepen om in economische en culturele zin hun eigen weg beter te gaan. Verbinden vormt voor de WRR de opdracht om vormen van onderlinge verbondenheid tussen verschillende individuen en groepen tot stand te brengen of te bevorderen.[8]

Daarmee bouwt de WRR grotendeels voort op de analyse die de Duitse socioloog U. Beck publiceerde in 1986. Hij zag de verzorgingsstaat transformeren naar een risicomaatschappij. Door de modernisering van de samenleving wil de burger steeds meer risico’s uitschakelen en zoekt hij steeds meer zekerheid. Maar door die modernisering van de samenleving ontstaan juist nieuwe risico’s. Terwijl mensen een vermindering van de risico’s wensen, moeten ze wennen aan nieuwe risico’s, bijvoorbeeld als gevolg van de gegroeide welvaart en de globalisering. Vroeger moest de burger strijden om eten te vinden. In de huidige westerse samenleving komt gebrek aan voedsel vrijwel niet meer voor, maar nu doemt een nieuw gevaar op: overgewicht. De globalisering vergroot de mogelijkheden tot verplaatsing van arbeid naar goedkopere regio’s, waardoor het risico op werkloosheid in de westerse wereld is toegenomen. Door betere en goedkopere transportmogelijkheden verplaatsen mensen zich sneller en makkelijker. Dat geldt echter ook voor terroristen, waardoor de veiligheid van de – westerse – burger sneller in gevaar kan komen. 

Het doel van de modernisering van de samenleving werd lange tijd gezien als een welvaartsverdelende samenleving. Inkomensherverdeling stond centraal. Volgens Beck zal dat paradigma verdwijnen en komt de risicoverdelende samenleving daarvoor in de plaats, waarbij de hogere inkomensgroepen er beter in lijken te slagen om risico’s te mijden dan de lagere inkomensgroepen.[9]

In vergelijking met Beck ontbreekt in de analyse van de WRR nog een substantiële functie van de verzorgingsstaat, namelijk het voorkomen van of voorbereiden op. Binnen veel verzorgingsstaten is in de afgelopen jaren een verschuiving opgetreden naar het voorkomen van bepaalde situaties. Denk in dat geval aan de arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze wetgeving voorkomt dat werknemers ziek worden van de omstandigheden waaronder ze moeten werken, bijvoorbeeld met gevaarlijke stoffen en gebruikersonvriendelijke gereedschappen, maar ook het voorkomen van stress behoort inmiddels tot het Arbo-beleid. Maar er is meer. Kwaliteitsregels ten aanzien van het voedsel, de levensloopregeling ter voorbereiding op het spitsuur van het leven. Het past in de analyse van Beck, namelijk de transformatie naar een risicomaatschappij, dat deze functie in de komende jaren aan gewicht zal winnen.

 

.

 

Solidariteit in de Nederlandse verzorgingsstaat

In het rapport De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden analyseert de WRR de huidige staat van de Nederlandse verzorgingsstaat en vergelijkt deze met andere Europese landen. De WRR constateert dat er drie mogelijke bronnen van conflict om de solidariteit in de Nederlandse verzorgingsstaat bestaan of kunnen gaan bestaan: jong versus oud, rijk versus arm en autochtoon versus de niet-westerse allochtoon. In deze paragraaf zal per potentiële spanningsbron worden aangegeven hoe de huidige verzorgingsstaat uitpakt voor de diverse groepen en daarna aangeven voor welke uitdagingen de verzorgingsstaat zich geplaatst weet

 

Arm versus rijk

De eerste discussie betreft de solidariteit tussen rijk en arm. In vergelijking met de rest van de EU doet Nederland het goed. De inkomensverschillen in Nederland behoren tot de kleinste van de wereld. Na enkele Scandinavische landen kent Nederland de kleinste inkomensverschillen.[10] De inkomensverschillen zijn in Nederland in de eerste drie decennia na de oorlog afgenomen, als gevolg van de sterk progressieve belastingstelsels. In de jaren negentig zijn de verschillen gegroeid, zij het veel minder sterk dan in andere EU-lidstaten. De toename is verklaarbaar uit minder genereuze voorzieningen voor niet-werkenden en een groeiende vraag naar hoogopgeleiden.[11]

Nederland behoort nog steeds tot de groep van landen met de laagste relatieve armoederatio. Naast Nederland maken Denemarken en Zweden deel uit van deze groep.[12] Ook als gekeken wordt naar de werkloosheidspercentages blijkt dat Nederland na Denemarken het laagste werkloosheidsniveau heeft binnen de EU. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat ook de WAO/WIA een arbeidsreserve vormt, die deze cijfers enigszins kunnen vertekenen. Maar als dan ook nog eens wordt gekeken naar de groep van landen met een hoog percentage langdurig werklozen wordt duidelijk dat Nederland het goed doet. Nederland heeft samen met de Scandinavische en Angelsaksische landen een bijzonder laag percentage werklozen dat langer dan een jaar werkloos is. De WRR komt daarom tot de conclusie dat op grond van de tegenstellingen tussen arm en rijk er geen aanleiding bestaat tot drastische hervormingen van de verzorgingsstaat.[13]

Maar daar kan wel het een en tegen in worden gebracht. In de eerste plaats blijkt dat veel overheidsmaatregelen gunstiger uitpakken voor rijken dan armen. Kijk naar de subsidiering van de kunstsector. Veel meer mensen met een hoger inkomen maken vaker gebruik van de theaters dan de lagere inkomens.[14] Maar ook als het gaat om het gebruik van maatregelen die expliciet voor de lagere inkomens zijn bedoeld, blijkt dat deze vaak niet terecht komen bij de groepen die het hardst nodig hebben. Denk aan het niet-gebruik van sociale zekerheidsvoorzieningen. Denk aan de groep van de zorgwekkende zorgmijders.[15] Deze groepen hebben onvoldoende aandacht gekregen in de analyse van de WRR.

 

De mate van rijkdom binnen de Nederlandse samenleving is in belangrijke mate afhankelijk van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Er bestaat overeenstemming tussen onderzoekers dat de bestaande ongelijkheden op de arbeidsmarkt groter lijken te worden. Mensen met kennis van digitale technologie en informatievaardigheden zijn op de arbeidsmarkt en binnen arbeidsorganisaties in het voordeel. Hier dringt de analogie met de overgang van de agrarische samenleving naar de industriële samenleving zich op. Toen waren de geletterden in het voordeel. Nu, bij de overgang naar de informatiesamenleving zijn de mensen met goede informatievaardigheden in het voordeel.[16]

Deze ontwikkeling heeft enkele gevolgen. De verwachting was dat de onderkant van de arbeidsmarkt de meest nadelige gevolgen zou ondervinden. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het blijkt juist dat de banen daar net boven verdwijnen. Het zijn de lager technische, bouwkundige en administratieve beroepen die er als eerste aan gaan. Deze trend is al lange tijd zichtbaar en lijkt zich ook voort te gaan zetten.[17] De traditionele middengroepen worden het meest bedreigd in hun baanzekerheid. Zo maakt de echte onderkant van de arbeidsmarkt al decennia lang ongeveer 7% van de arbeidsmarkt uit. Voor het niveau daarboven is een daling sinds 1985 geconstateerd van 10%.[18] Ook voor de nabije toekomst lijkt zich als gevolg van de verdienstelijking van de economie een groeiende vraag naar laag geschoold werk te bestaan. Maar er blijft een groot risico bestaan, namelijk de groeiende mismatch. Het zit hem dan vaak niet in de vaardigheden, maar vooral in het gebrek aan sociale competenties. Bovendien is het systeem van doorstromen binnen het Nederlandse onderwijsstelsel beperkter geworden. Eenmaal in het VMBO is het niet meer mogelijk om door te stromen naar hoger onderwijs.[19]

Aan de bovenkant is een ander risico op termijn waarneembaar, namelijk een tekort aan hoog opgeleide krachten met alle gevolgen voor het loongebouw van dien. Een deel van deze groep dreigt zich te gaan vervreemden van de Nederlandse samenleving als gevolg van de exorbitante inkomens. Opvallend is dat deze groep zich wel spiegelt aan de inkomens in vooral angelsaksische landen, maar de bijhorende verantwoordelijkheden, zoals die in die culturen zich heeft ontwikkeld, ontloopt. In dat geval kan gewezen worden op verantwoordelijkheden die vele rijken in die landen voelen bij het oplossen van prangende kwesties, door grote particuliere giften en fondsen.

 

Jong versus oud

De WRR constateert dat er wel een bron van spanning ligt onder de intergenerationele solidariteit. In de afgelopen jaren heeft dit vraagstuk al enkele malen geleid tot forse conflicten, niet alleen in de politiek, ook binnen maatschappelijke organisaties, zoals de vakbeweging. Moeten de ouderen solidair zijn met de jongeren of juist andersom? En wat is de bestaande praktijk? De WRR heeft in zijn recent verschenen rapport  De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden een grondige analyse gemaakt van de huidige stand van zaken. Hij maakt een onderscheid tussen de protestgeneratie – mensen die in de jaren 1945-1955 zijn geboren – en de mensen die na 1970 zijn geboren: de prestatiegeneratie. Op basis van onderzoek komt de WRR tot de conclusie dat voor wat betreft de sociale zekerheidsarrangementen de protestgeneratie meer profiteert dan de andere. Ook als het om het inkomen en vermogen gaat blijkt dat de huidige regelgeving meer voordelen biedt voor ouderen dan voor jongeren: hypotheekrenteaftrek, pensioenvoorzieningen en andere vermogensbestanddelen vallen gunstiger uit voor hen. Voor wat betreft de arbeidsmarkt ligt de situatie genuanceerder. Oudere werknemers hebben vaak meer regelcapaciteit, hetgeen als een voordeel kan worden beschouwd. Ook hebben ze vaker dan jongeren contracten voor onbepaalde tijd. Daar staat tegenover dat jongeren makkelijker een baan krijgen, dan ouderen. Maar de WRR meent dat op dit terrein de kansen op een intergenerationeel conflict te verwaarlozen zijn, terwijl dat bij de sociale zekerheid en het vermogen anders ligt.

In zijn algemeenheid constateert de WRR dat de sociale zekerheidsarrangementen in Nederland, zeker ook in vergelijking met omringende landen, meer gericht zijn op het voorkomen van nadelige inkomensgevolgen voor de ouderdom dan voor de problemen van jongeren en kinderen. Zo is de kinderbijslag in Nederland substantieel lager dan in andere Europese landen, zijn de zorgarrangementen voor de spitsuur van het leven kariger, terwijl de Nederlandse pensioenen behoren tot de beste van de wereld.[20]

 

De discussie over de Nederlandse verzorgingsstaat heeft zich in de afgelopen jaren geconcentreerd op de vraag of deze ook in toekomst als gevolg van de vergrijzing en gelijktijdige ontgroening wel houdbaar zou zijn. In vele gevallen werd de discussie verengd tot de vraag of de AOW en de pensioenen in het huidige systeem wel handhaafbaar zouden zijn. De laatste tijd lijkt de discussie verbreed te worden naar het vraagstuk van de arbeidsmarkt: zijn er nog wel voldoende handen om het voorhanden zijnde werk te verrichten? Er is een groeiende behoefte aan zorg, terwijl de ontgroening van de arbeidsmarkt dat steeds lastiger maakt.

In het kader van de intergenerationele solidariteit ligt de grootste druk echter nog steeds bij de sociale zekerheidsvoorzieningen. Het grote financiële beslag dat wordt gelegd door de voorzieningen voor ouderen roepen vraagtekens op bij de jongeren. Zeker als ze zien welke bereidheid er bij de oudere generaties ligt voor de knelpunten die zij ervaren: spitsuur van het leven, kosten van kinderopvang en mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De levensloopregeling lijkt uiteindelijk meer een alternatief voor de prepensionering te zijn geworden dan een oplossing voor het spitsuur van het leven. Jongeren hebben een kwetsbaardere positie op de arbeidsmarkt, omdat ze minder in aanmerking lijken te komen voor contracten voor onbepaalde tijd en kwetsbaardere arbeidsmarktposities moeten innemen. Deze posities levert hen dan uiteindelijk ook nog eens vermindering van de mogelijkheden op om de door hen gewenste woonruimte te vinden.

 

Autochtoon versus niet-westerse allochtoon

Ook de ontwikkelingen voor wat betreft de solidariteit tussen niet westerse allochtonen en autochtonen vragen om aanpassingen van de verzorgingstaat. De mogelijkheden van de allochtonen op de arbeidsmarkt laten te wensen over, waardoor ze meer gebruik moeten maken van bestaande solidariteitsmechanismen: de sociale zekerheidsuitkeringen. Discriminatie, achterstand bij de scholing, maar ook de afwezigheid van de soft skills zorgt voor problemen in de aansluiting op de behoefte op de arbeidsmarkt. Regelingen zoals de Wet Samen hebben weinig resultaat opgeleverd en zijn daarom ook weer afgeschaft. Anders ligt dat bij de convenanten die in de jaren negentig zijn afgesloten tussen arbeidsbureaus en het MKB. Deze hebben een goed resultaat laten zien. De intensieve begeleiding leidde tot een goed resultaat. Aan deze projecten is echter geen vervolg gegeven.

Niet-westerse allochtone kinderen maken meer gebruik van de VVE voorzieningen dan autochtone kinderen. Deze zijn er vooral op gericht om de taalachterstand bij deze kinderen terug te dringen. Dat lukt, maar of dit ook de integratie bevordert is de vraag. Al op jonge leeftijd ontstaat zo een segregatie, die niet altijd weer teniet gedaan kan worden in het vervolg van de onderwijscarričre.

 

Al in eerdere onderzoeken werd geconstateerd dat vooral allochtonen – moeten – profiteren van de sociale zekerheid. Er lijkt zich als gevolg daarvan een nieuw probleem in de sociale zekerheid voor te doen: de etnisering van uitkeringsafhankelijkheid, hetgeen het draagvlak voor de sociale voorzieningen doet afnemen. Het aantal allochtone uitkeringsgerechtigden van het totaal beslaat 17% en er is een stijgende trend waar te nemen. Ook het percentage lagere inkomens onder allochtonen is hoog in vergelijking met autochtonen en ook hier is de verwachting dat het percentage nog zal stijgen. “Dat de groep uitkeringsontvangers voor een aanzienlijk deel van allochtone herkomst zal zijn, zal de legitimiteit van het stelsel in de ogen van de contribuanten vermoedelijk niet bevorderen.” Zeker als er aanpassingen in het stelsel worden doorgevoerd die vooral ten gunste zijn van de lagere inkomensgroepen zullen de middengroepen zich afvragen of het stelsel nog wel aantrekkelijk is. Zijn de kosten nog wel in overeenstemming met de kans op enige baten?[21] Het gevolg zal zijn dat de solidariteit tussen allochtonen en autochtonen onder druk dreigt te komen.

Het is voor niet-westerse allochtonen aanzienlijk moeilijker om toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen dan de autochtonen. Ook bij de uitval op scholen lijkt zich een verkleuring voor te doen. Allochtone jongeren hebben ruim anderhalf keer zoveel kans om uit te vallen dan autochtone. Bovendien hebben allochtonen een veel grotere kans om na uitval werkloos te worden.[22] Maar de segregatie in de Nederlandse samenleving beperkt zich niet tot de arbeidsmarkt. Al bij de kinderopvang is een duidelijke segregatie herkenbaar. Allochtone kinderen gaan naar de Vroeg en Voorschoolse Educatie (VVE), terwijl autochtone kinderen naar de peuterspeelzalen en kinderopvang gaan. De opvang van kinderen tussen nul en vier jaar wordt in de Nederlandse samenleving ook nog steeds gezien in het licht van de verzorgingsfunctie binnen de verzorgingstaat, terwijl in veel Europese landen dit al als een onderdeel van het onderwijs wordt gezien in het kader van de verheffingsfunctie.

Tot slot moet opgemerkt worden dat ook in Nederland nog steeds op basis van afkomt wordt gediscrimineerd. De discussie over het anoniem solliciteren geeft aan dat niet-westerse allochtonen een achterstand hebben bij het verwerven van een baan. Ook dat zal de solidariteit aantasten.

 

Risico’s in de persoonlijke levenssfeer met maatschappelijke gevolgen

Los van deze mogelijke bronnen van spanning in solidariteit moet ook bezien worden of de huidige solidariteitsmechanismen wel de juiste doelgroep helpt. In sommige gevallen denken we dat we over het juiste instrument te beschikken, maar als we goed kijken valt dat tegen. Bijvoorbeeld het Persoons Gebonden Budget (PGB) in het onderwijs: goed opgeleide ouders van kinderen met een beperking weten veel beter gebruik te maken van bestaande maatregelen dan minder goed opgeleide ouders, terwijl de laatste groep het financieel vaak harder nodig heeft.

Naast de bovengenoemde risico’s heeft de WRR nog enkele andere, nieuwe, risico’s geconstateerd, waarvan veel volgens de gangbare denkwijze in de privé-sfeer liggen. “Deze knelpunten moeten door mensen zelf worden opgelost”, is de veelgehoorde opmerking als deze problemen worden gesignaleerd. Het gaat dan om de volgende risico’s:

  1. er moet in een kortere periode carričre worden gemaakt, als gevolg van een lange initiële opleiding en een vroegtijdige pensionering (compressed career). Dat geldt in versterkte mate voor vrouwen, die tussentijds hun carričre onderbreken voor het krijgen en verzorgen van kinderen;
  2. de behoefte aan tussentijdse bijscholing wordt groter, waarbij men tijdelijk zich wil terugtrekken van de arbeidsmarkt;
  3. spitsuur van het leven is tot nu toe voornamelijk gericht op de zorg van de kinderen. Maar de (mantel)zorg voor de ouderen en andere naasten op datzelfde moment vraagt veel van mensen;
  4. het vergrote risico dat men tot de conclusie moet komen dat men niet de juiste partner heeft gekozen. Dat leidt vaak tot een echtscheiding, met alle sociaal-emotionele en sociaal-economische gevolgen van dien;
  5. risico voor oudere werknemers die boven hun productiviteit worden beloond. Zij kunnen niet doorgroeien, waardoor de interne arbeidsmarkt stagneert;
  6. risico voor laagopgeleiden dat juist hun werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt structureel afneemt.[23]

Maar de vraag is of de redenering, namelijk dat mensen het zelf moeten oplossen, stand kan houden als de bovengenoemde risico’s in grote mate voorkomen en een belemmering voor het functioneren van een samenleving gaan vormen. Als een groot aantal kinderen leeft in éénouder gezinnen heeft dat gevolgen voor de arbeidsmarktpositie van die ene ouder, maar ook voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.

 

Conclusie

 

Op basis van de in dit hoofdstuk beschreven uitdagingen mag geconstateerd worden dat ondanks de vele positieve ontwikkelingen in de samenleving, nog steeds veel behoefte bestaat aan een goed functionerende verzorgingsstaat. Nieuwe uitdagingen vergen nieuwe instrumenten en een veranderende inrichting van de verzorgingsstaat. Daar is niets mis mee, mits op tijd de bakens worden verschoven

 

 

 

 

Hoofdstuk 3: solidariteit en nieuwe uitdagingen

 

In het voorgaande hoofdstuk is weergegeven voor welke uitdagingen de verzorgingsstaat zich geplaatst weet en wie momenteel profiteert van de huidige solidariteitsmechanismen. In het eerste hoofdstuk is nagegaan op welke manier binnen het christelijk-sociaal denken tegen het begrip solidariteit werd en wordt aangekeken. In dit hoofdstuk zal een eerste aanzet worden gegeven hoe vanuit het christelijk-sociaal denken over solidariteit aangekeken wordt tegen de in hoofdstuk twee geschetste uitdagingen.

 

Functies van de verzorgingsstaat

In het vorige hoofdstuk zijn de diverse functies van de verzorgingsstaat onderscheiden. De WRR maakte onderscheid tussen de functies verzekeren, verzorgen, verheffen en verbinden. In het vorige hoofdstuk is daar nog een extra functie aan toegevoegd, namelijk het voorkomen van of voorbereiden op.

In de analyse in hoofdstuk 2 is duidelijk geworden dat de nadruk in de afgelopen decennia vooral heeft gelegen op de functies verzorgen en verzekeren. Dat was ook logisch, omdat de bevolking in die periode de meeste behoefte had aan zorg in de meest brede zin van het woord. Het ging dan om de sociale zekerheid en gezondheidszorg, maar ook de woningbouw. Er werd wel aandacht besteed aan het onderwijs, dat als het belangrijkste instrumentarium wordt gezien voor de functie verheffen, maar deze functie was ondergeschikt gemaakt aan de twee eerder genoemde functies. De verbindingsfunctie werd meer als een uitkomst gezien van het proces beschouwd, dan als een daadwerkelijke functie op zich. Datzelfde gold ook voor de functie voorkomen van en voorbereiden op bepaalde risico’s.

Op basis van de gesignaleerde uitdagingen zal het zwaartepunt in de functies van de verzorgingsstaat komen te liggen bij verheffen, verbinden en voorkomen van. De andere functies zullen niet verdwijnen, maar ze zullen een minder prominente rol spelen. Deze functies zullen vooral ten dienste moeten staan voor de andere functies. Voor het middenveld, waaronder de sociale partners, heeft dat belangrijke gevolgen. In de afgelopen jaren hebben ze zich vrijwel volledig gericht op de verzorgende en verzekerende functie van de verzorgingsstaat, terwijl juist deze functies steeds meer in handen van de overheid of particuliere ondernemingen zijn terecht gekomen. De sociale partners hebben nog in belangrijke mate een adviserende functie via adviesorganen als SER en RWI, maar de dominante positie, zoals ze die hadden vanaf de jaren vijftig tot en met het begin jaren van de jaren negentig, hebben ze al lang niet meer. Er kan naar gestreefd worden om deze functies weer terug te leggen bij het maatschappelijk middenveld, maar de kans dat ze hier in slagen is gering. Daar liggen diverse redenen aan ten grondslag: het politieke draagvlak om het over te dragen aan de sociale partners is gering en ook onder de sociale partners zelf ontbreekt overeenstemming.

Wellicht zou het ook beter zijn dat de sociale partners zich meer gaan richten op de functies waar in de komende jaren meer nadruk op moet komen te liggen. Net zoals aan het einde van de negentiende eeuw de sociale partners eerder inzagen welke arrangementen nodig waren om aan de zorgbehoefte onder de bevolking te voldoen, zo zouden ze nu ook die verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Dit advies wordt nog prangender, omdat in de aanbevelingen van de WRR een sterke nadruk wordt gelegd op de rol van de overheid, voor vrijwel alle functies van de verzorgingsstaat. Maar zijn zij hier de meest aangewezen instanties voor? Natuurlijk hangt het antwoord in belangrijke mate af van de soort activiteiten die nodig zijn om de functies op een goede manier in te vullen, maar het automatisme waarmee het allemaal bij de overheid wordt gelegd is te kort door de bocht.

Daarnaast moet het ook duidelijk zijn dat op diverse terreinen een zwaardere verantwoordelijkheid bij de personen zelf mag worden gelegd, passend bij de talenten die mensen hebben.

 

Verzorgen en verzekeren

 

Zoals al eerder werd geconstateerd bestaat de kern van de verzorgingsstaat nog altijd uit de verzorgende en verzekerende functie. De gezondheidszorg, sociale zekerheid en het fiscale beleid zijn de belangrijkste instrumenten in deze. In hoofdstuk twee werd geconstateerd dat vooral het niet-gebruik van bepaalde voorzieningen zorgen baart. Tevens werd duidelijk dat de bestaande instrumenten niet altijd gebruikt worden door de mensen die er het meest behoefte aan hebben. Betekent dit het afschaffen van deze instrumenten? Neen, maar wel dat nagedacht moet worden over de inrichting van de instrumenten. Vraagsturing in de zorg in de vorm van PGB’s zorgt er voor dat mensen flexibel kunnen zijn in de keuze van hun zorgvoorzieningen. Een goede oplossing, ware het niet dat het voor veel mensen vrijwel onoverzienbaar is wat de consequenties zijn van de keuzes die ze maken. Rugzakjes in het onderwijs maken dat ouders meer grip en invloed krijgen op het onderwijs van hun kinderen, maar het zijn vaak de goed opgeleide ouders die hier het meeste gebruik van maken.

Een verbetering van het gebruik van deze voorzieningen en een beter aansluiten bij de behoefte kan alleen door een cultuurverandering binnen organisaties en door goede dienstverlening van maatschappelijke organisaties.

Binnen ambtelijke organisaties moet vooral de cultuur veranderd worden. In de eerste plaats moeten de medewerkers meer ruimte krijgen om naast de cliënten te gaan staan. Hen te helpen in hun zoektocht naar de zorg die ze nodig hebben. Daar moeten ze wel de ruimte voor krijgen. Dat vergt een andere benadering van het management. De beroepseer van de professionals moet daarom meer ruimte krijgen.

Organisaties moeten meer ruimte krijgen om in te kunnen spelen op veranderende behoeften. Minder aan de leiband lopen van de gedicteerde regels, maar kijken op welke manier adequaat kan worden ingespeeld op de zorgbehoeften van de mensen. Organisaties moeten de creativiteit binnen hun organisaties aanboren en benutten. Het concept van de maatschappelijke onderneming is een nuttige structuur om hier volop in te spelen.[24]

In hoofdstuk twee werd geconstateerd dat het accent van de huidige verzorgingsstaat wel eenzijdig was terecht gekomen bij de ouderen. De riante pensioenvoorzieningen staan in schril contrast tot de klarige voorzieningen voor jongeren en jonge gezinnen. Zonder de voorzieningen voor ouderen aan te willen aanpakken zal de verzorgingsstaat meer moeten bieden voor deze groepen. Bij de volgende functies komen we daar op terug.

 

Verheffen en verbinden

 

Over het algemeen wordt de verheffende functie toebedeeld aan het onderwijs. Via het onderwijs moeten mensen goed opgeleid worden. Een goed opgeleid mens draagt bij aan de totale verheffing van de samenleving.

Natuurlijk is onderwijs belangrijk. Goed initieel onderwijs is een belangrijke overheidsverantwoordelijkheid. Het staat zelfs als een opdracht geformuleerd in de grondwet. Tegelijkertijd is iedereen er van doordrongen dat het een belangrijke betekenis heeft voor de economie. Dankzij een goed opgeleide beroepsbevolking is het makkelijker om de concurrentie met andere landen aan te gaan. Het innovatieve vermogen wordt hierdoor aanzienlijk vergroot.

De ontwikkelingen in de technologie en economie gaan snel. Razendsnel. Deze nieuwe ontwikkelingen hebben vergaande gevolgen voor het vakmanschap van de werknemers. Tien jaar geleden was de GSM voor een beperkte groep mensen weggelegd, tegenwoordig lopen kinderen van 12 jaar al rond met zo’n ding. Datzelfde geldt voor het gebruik van email en internet. Om deze ontwikkelingen bij te kunnen houden moet het levenslang leren een grotere aandacht krijgen. Een belangrijke verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij de sociale partners, via het maken van afspraken in cao’s. Een hogere prioriteit dan tot nu toe lijkt op zijn plaats. In dat kader spelen de zogeheten Opleiding en ontwikkelingsfondsen een belangrijke rol. Deze kunnen meer dan nu worden ingezet voor de opleiding van hun werknemers en voor de ontwikkeling van methoden waardoor werknemers langer in dienst kunnen  blijven. Tot slot kan de overheid deze ontwikkeling faciliteren.. Dat vergt een verandering in het fiscaal instrumentarium, door de arbeidsheffing om te bouwen naar een kennisvermeerderingsheffing: alleen als er sprake is van kennis – of vaardigheidsvermeerdering mag dit bedrag worden afgetrokken van de te betalen belasting.

 

Maar er is meer. Mensen zijn niet alleen werknemers of ondernemers. Mensen zijn ook burgers. Mensen hebben verantwoordelijkheden als werknemers, maar als burgers hebben ze die eveneens. Ze maken deel uit van een gemeenschap en hebben verantwoordelijkheden naar die gemeenschap toe. Ze moeten namelijk ook bijdragen aan het welbevinden van die gemeenschap. Een veel gehoorde doelstelling is die van de bevordering van de sociale cohesie. Dat is de verbindende functie van de verzorgingsstaat. In dat kader is het van belang dat mensen zelf hun verantwoordelijkheid oppakken. Niet alles afschuiven op de overheid, maar zelf ook proberen bij te dragen aan het vorm geven van solidariteit. Het middenveld is daar een geschikt instrument voor. In de eerste plaats om de solidariteit gestalte te geven via projecten. Verzorging van kwetsbaren door vele vrijwilligersorganisaties. Aandacht in het onderwijs voor leerlingen met een achterstand. Geldinzameling voor mensen in de minst-ontwikkelde landen. Daarnaast spelen maatschappelijke organisaties ook een verbindende rol, door het zijn van een maatschappelijke organisatie. Burgers krijgen via participatie in maatschappelijke organisaties een grotere betrokkenheid bij hun gemeenschap. Ze geven darmee gestalte aan hun bereidheid om hiervoor verantwoordelijkheid te willen dragen. Daar komt bij dat ze zo ook leren hoe een samenleving in elkaar steekt. Dat is een belangrijk middel om sociaal kapitaal te scheppen, waarmee echt gestalte wordt gegeven aan de verbindende functie van de verzorgingsstaat.

 Voorkomen van en voorbereiden op

 Zoals gezegd mist in de analyse van de WRR een belangrijke functie, namelijk het voorkomen en voorbereiden op. Via regelgeving wordt al voorkomen dat mensen worden blootgesteld aan gevaarlijke risico’s, zoals kwalitatief slecht voedsel en ziek makende arbeidsomstandigheden. Maar er zijn meer risico’s waar mensen zich op kunnen voorbereiden, waardoor voorkomen kan worden dat ze gebruik moeten maken van de verzorgende en verzekerende functie van de verzorgingsstaat. Zeker als dan ook nog wordt gekeken naar de mogelijke spanningsbronnen voor de Nederlandse verzorgingsstaat zal hier zeker aandacht aan besteed moeten worden.

In de eerste plaats kan gedacht aan het voorkomen van het verlies aan solidariteit tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen. Via regelgeving kan gewerkt worden aan het voorkomen van discriminatie op de arbeidsmarkt. In dat kader wordt vaak gewezen naar de werkgever, die geen niet-westers allochtoon aanneemt. Maar er ligt eveneens een verantwoordelijkheid bij de werknemers. Vaak genoeg worden de allochtone werknemers niet opgenomen binnen de gemeenschap van de organisatie. Ondernemingsraden kunnen in deze een belangrijke rol spelen.

Er zijn meer middelen om discriminatie te voorkomen. Maatschappelijke organisaties moeten nadenken over manieren waarop ze ook niet-westerse allochtonen aan zich weten te binden. Veel niet-westerse allochtonen sluiten zich niet aan bij bestaande organisaties. Richten zelf organisaties op of sluiten zich af van de samenleving. Onderzoek naar de oorzaken kan helpen om wegen te vinden om meer allochtonen een rol te laten spelen binnen een samenleving.

Segregatie in de samenleving kan bestreden worden, maar het voorkomen daarvan is wellicht effectiever. In dat kader moet gekeken worden naar de functie van de kinderopvang. Is kinderopvang een welzijnstaak of een onderwijstaak? Moet kinderopvang worden gezien als uitsluitend de opvang van kinderen en op zijn hoogst als een voorziening om achterstanden weg te werken of moet kinderopvang een integrale functie in het onderwijs krijgen? Dit is een principiële vraag met vergaande gevolgen. De huidige systematiek van kinderopvang en onderwijs werkt segregatie in de hand. Kijk naar de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Vooral kinderen met een taalachterstand maken gebruik van deze voorziening. Het zorgt al voor een segregatie binnen de samenleving. Het zou beter zijn als de kinderopvang in het licht van het onderwijs wordt gezien. Dat de kinderen allen al op jongere leeftijd naar school zouden gaan en daar op hun eigen behoeften onderwijs aangeboden krijgen.

Enkele tegenwerpingen zouden kunnen zijn dat hiermee de ruimte voor eigen opvoeding beperkt zou worden. Dat bezwaar kan weerlegd worden door te wijzen op ons omringende landen waar de schooltijden substantieel langer zijn dan in Nederland. Maar in de tweede plaats kan ook gewezen worden op de andersoortige activiteiten voor de kinderen. De primaire onderwijstaak zou binnen de bestaande uren kunnen, de andere activiteiten zouden vooral in de ontwikkeling van sociale vaardigheden, zoals sport en cultuur, en het bestrijden van achterstanden. Daarmee is ook een natuurlijke breuk ontstaan tussen de verantwoordelijkheden van de onderwijzer en die van de persoon die verantwoordelijk is voor de buiten-onderwijstaken. Deze scheiding maakt het ook voor de kinderen aanvaardbaar om langere dagen van huis te zijn. Ze zitten namelijk niet de hele dag op school, maar hebben onderwijs en andersoortige activiteiten.

Daarnaast kan via deze werkwijze ook een bijdrage worden geleverd aan de spitsuur van het leven voor jonge gezinnen. Hun zorg over de zorg voor hun kinderen is beter georganiseerd, waardoor rust in het leven kan ontstaan. Bijkomend voordeel kan zijn dat mensen meer en langduriger voor de arbeidsmarkt beschikbaar kunnen en willen zijn. dat kan een antwoord zijn op de ontgroening van de arbeidsmarkt.

 Al in het rapport CNV als aanvallende middenveldorganisatie is een pleidooi gehouden om meer aandacht te besteden aan de voorkomende functie. In dat rapport werd vooral een link gelegd tussen sociale zekerheid en scholing. Indien beiden nauwer geďntegreerd zouden worden, werd een bijdrage geleverd aan de voorkoming van werkloosheid. Deze opvatting heeft aan actualiteit niets ingeboet. Integendeel: in diverse regelingen herkennen we sporen van deze opvatting. In dat geval kan het beste gekeken worden naar de manier waarop diverse gemeenten de Wet Werk en Bijstand uitvoeren. Om in aanmerking te komen voor een uitkering kan de eis gesteld worden dat onderwijs moet worden gevolgd. De financiële middelen vanuit de WWB-regeling kunnen hiervoor aangewend worden. Maar deze functie is in de WW bijvoorbeeld niet opgenomen. De samenwerking tussen de WW en de O&O-fondsen is er in deze ook niet. Dat legt trouwens een zwaardere link tussen het arbeidsvoorwaardenbeleid en de sociale zekerheid. In cao’s kunnen afspraken over scholing worden gemaakt, waarbij niet alleen de O&O-fondsen een financieringsbron is, maar ook de kassen van de werknemersverzekeringen.

Om te voorkomen dat mensen werkloos worden moet meer aandacht komen voor levenslang leren. Dat is al voldoende besproken bij de verheffende en verbindende functie. Maar de manier waarop dat wordt georganiseerd zou een grotere rol en verantwoordelijkheid van sociale partners bij de werknemersverzekeringen moeten geven. Door een grotere verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid  te beloven onder voorwaarde dat zij meer aandacht besteden via O&O-fondsen aan het financieel mogelijk maken van scholing ter voorkoming van werkloosheid, kan een werkelijke bijdrage worden geleverd aan het voorkomen van werkloosheid.

Geef sociale partners meer invloed bij de WIA en koppel dat aan de verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de arbo-zorg en eenzelfde effect zal ontstaan zoals hierboven is beschreven voor de werkloosheid.

 Conclusie

 Er is een toekomst voor de verzorgingsstaat, maar deze zal anders zijn ingericht dan momenteel het geval is. Daar is niets mis mee, omdat er vele veranderingen zijn, die nieuwe arrangementen noodzakelijk maken om tegemoet te komen aan de behoefte aan zorg binnen de samenleving. Belangrijk is dat maatschappelijke organisaties weer los komen van de beknellende omhelzing van de overheid. Ze moeten het proces van verstatelijking stuiten en de omgekeerde beweging in gang gaan zetten. Ontstatelijken zonder een contact met de overheid te verliezen. Belangrijker is dat maatschappelijke organisaties het contact met de samenleving herstellen.

Aan de hand van de diverse functies van de verzorgingsstaat kan aangegeven worden welke veranderingen behulpzaam kunnen zijn voor een toekomstbestendige verzorgingsstaat. En dat is een optimistischer visie dan sommigen ons wel eens willen doen geloven.

 

Literatuur

 -                     Banning, W. en H.E.S. Woldring, Hedendaagse sociale bewegingen. Achtergronden en beginselen (Houten 1998).

-                     Beck, U., Risk Society. Towards a New Modernity (London 2005), 130,131

-                     Bos, S.,  ‘Beroepsgebonden onderlinges 1500-1800: gilden en knechtsfondsen’, in: j. van Gerwen en M.H.D. van Leeuwen, Studies over zekerheidsarrangementen. Risico’s, risicobestrijding en verzekeringen in Nederland vanfa de Middeleeuwen (Amsterdam 1998), 91-140.

-                     Cammaert, P.A.G. en C.A. van den Berg (red.), Congresboek van het Christelijk Sociaal Congres 1991. Congresgebeuren en flankerende activiteiten, teksten van inleidingen, verslagen van werkgroepen en van hoorzittingen, deelnemers (Kampen 1992).

-                     Dijk, J.J. van, Bouwers en bouwstenen. Naar een nieuwe christelijk-sociale beweging (Culemborg 2005).

-                     Hart, J. de, Voorbeelden en beelden. Historische vergelijkingen naar aanleiding van de dood van Fortuyn en Hazes (Den Haag 2005).

-                     Piret, J.M., ‘Broederschap en deugd, over de gevaren van de politisering van moralistische begrippen,’ in: G.A. van der Wal, Vrijheid, gelijkheid en broederschap? Betekenis en de huidige relevantie van het devies van de Franse revolutie (Budel 2004), 25-42.

-                     Proces Verbaal van het SociaalCcongres gehouden te Amsterdam, den 9,10,11,12 november 1891 (Amsterdam 1892), 65.

-                     Rerum Novarum  

-                     SER, Ondernemerschap voor de publieke zaak (Den Haag 2004).

-                     Stjernř, S., Solidarity in Europe. The history of an idea (Cambridge 2005), 26.

-                     Wal, G.A. van der (red.), Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Betekenis en huidige relevantie van het devies van de Franse Revolutie (Budel 2004).

-                     Wal, G.A. van der, Recht met reden. Verzamelde opstellen (Deventer 2003).

-                     Woldring, H.E.S., en D.Th. Kuiper, Reformatorische maatschappijkritiek. Ontwikkelingen op het gebied van sociale filosofie en sociologie in de kring van het Nederlands protestantisme van de 19e eeuw tot heden (Kampen 1980).

-                     Woldring, H.E.S., Politieke filosofie van de christen-democratie (Budel 2003).

-                     WRR, Bewijzen van goede dienstverlening (Amsterdam 2004).


<hr"33%" size="1"></hr"33%">

[1] Wal, G.A. van der (red.), Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Betekenis en huidige relevantie van het devies van de Franse Revolutie (Budel 2004)

[2] W. van Oorschot, ‘Solidariteit en het draagvlak voor sociale zekerheid’, in: M. Herweijer, G.J. Vonk, W.A,. Zondag (red.), Sociale zekerheid voor het oog van de meester. Opstellen voor prof. mr. F.M. Noordam (Kluwer Deventer 2006), 49,50.

[3] S. Stjernř, Solidarity in Europe. The history of an idea (Cambridge 2005).

 

[4] Mattheüs 25: 14-34

[5] Mattheüs 25: 1-14

[6] Dit in tegenstelling tot het liberale begrip eigen verantwoordelijkheid. Daarin is ieder persoon verantwoordelijk voor zijn eigen keuzes en handelen. De invloed op de gemeenschap wordt buiten beschouwing gelaten.

[7] J.J. van Dijk en J.P. van den Toren, De (on)mogelijkheden van Europese cao’s (Utrecht 1999).

[8] WRR, 36.

[9] Beck.

[10] OECD, ‘Income distribution in OECD countries in the second half of the 1990’s’, in: OECD working paper 22, (Paris 2005), 11, 12.

[11] WRR, De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden, 225.

[12] OECD, ‘Income distribution in OECD countries in the second half of the 1990’s’, in: OECD working paper 22, (Paris 2005).

[13] WRR,

[14] SCP, Profijt van de overheid (Den Haag 2003).

[15] RMO, ..

[16] SCP, Verzonken technologie (Den Haag 2005), 5.

[17] SCP, Toekomst arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Notitie op verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Den Haag 2005), 27.

[18] WRR, 226.

[19] Schrijver van dit artikel kon in zijn tijd nog de weg van MAVO, HAVO, VWO en universiteit bewandelen om uiteindelijk hoogleraar te worden. Een dergelijk perspectief bestaat voor de huidige scholieren niet meer.

[20] WRR, De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden, 229-232.

[21]  SCP, Toekomst arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Notitie op verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Den Haag 2005), 31.

[22] WRR, De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden, 195.

[23] WRR, De Verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (Amsterdam 2006), 158.

[24] Zie hiervoor: T. Brandsen, W. van de Donk en P. Kenis,  Meervoudig bestuur. Publieke dienstverlening door hybride organisaties (Den Haag 2006).


Reageer

Geef uw reactie op dit artikel in ontwikkeling in het mailformulier op deze website