8 maart 2008 17:03 Leeftijd: 3 jaar

Hoe het CNV vocht om een plek op Europees niveau

 

Van meet af aan zijn vakorganisaties nauw betrokken geweest bij internationale activiteiten. Naast de katholieke kerk en het Rode Kruis behoren ze tot de eerste grote internationale organisaties. Waarom beperkten vakorganisaties hun blik niet tot de nationale landsgrenzen, het gebied waar hun leden woonden en werkten? Wat motiveerde hen om over de grenzen heen activiteiten te ontplooien? Dit antwoord is in de loop van de geschiedenis steeds uitgebreider geworden.

In het begin van de ontstaansgeschiedenis van de vakbeweging zochten vakorganisaties contacten over de grenzen heen om steun te geven aan de andere organisaties. Om hen te ondersteunen in het opbouwen van vakbondswerk om hen het handwerk te leren. Reeds langer bestaande organisaties probeerden op deze manier hun gedachten over vakbondswerk verder te verspreiden. Een grotere bekendheid van het vakbondswerk zou ook hun nationale positie verstevigen. De vakorganisaties die deze steun ontvingen zagen deze steun in belangrijke mate als een erkenning van hun bestaansrecht. In de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog was dit de belangrijkste drijfveer voor het internationale werk.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam er een dimensie bij. In 1919 werd de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) opgericht. Daarin werden internationale aanbevelingen een conventies – lees verdragen – op het brede terrein van arbeid en inkomen opgesteld. Dat gebeurde op tripartite basis. Nu was het internationale werk niet alleen van belang voor het verspreiden van de manier waarop een vakbond moest functioneren en opereren, maar nu ging het ook om het opstellen van internationale arbeidsnormen. Vanaf dat moment leverde het internationale vakbondswerk een bijdrage aan de internationale rechtsorde op het terrein van arbeid en inkomen. En daarmee ook aan de bescherming van de rechten van werknemers op nationaal niveau.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar nog een derde dimensie bij: de belangenbehartiging in Europa. Tot die tijd was de nationale overheid de hoogste overheid met een rechtstreekse werking. Als gevolg van de oprichting van supranationale organen als een Europese Commissie, een Europees Parlement, een Raad van Ministers en een Europees Hof van Justitie was er een nog hogere rechtstreeks werkende overheid gecreëerd: de EEG en later de EU. Bij internationale verdragen was er altijd nog de keuze van de nationale overheid om over te gaan tot ratificatie – er was dus nog een duidelijke rol voor het nationale parlement – bij de Europese regelgeving was dat niet meer het geval. Daarmee werd een derde dimensie aan het belang van het internationale werk toegevoegd. In dit deel zal vooral op die derde dimensie worden ingegaan, ofschoon de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt werden door een voortzetting van de vakbondsactiviteiten, zoals die tijdens het interbellum hadden plaats gevonden. De eerste nieuwe internationale organisatie, waar de vakbeweging nauw bij betrokken was, was de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking.

 

Wel of niet meedoen met de TUAC

 

In 1947 kwam de Amerikaanse regering tot het besef dat de West-Europese landen het meeste gebaat waren met een voorspoedige economische ontwikkeling. Dat zou onrust in de landen voorkomen en daarmee de dreiging van communistische invloeden verkleinen. Onder de voorwaarde dat de landen op een goede manier zouden samenwerken, werden via het Marshallplan grote sommen geld ter beschikking gesteld voor de ontwikkeling van de economie.[1]

Na de Tweede Wereldoorlog was het Wereld Verbond van Vakverenigingen (WVV) opgericht waar vrijwel alle sociaal-democratische en communistische organisaties bij waren aangesloten. De christelijke organisaties bleven hun internationale trouw en maakten deze overstap niet. Daardoor waren er in de eerste naoorlogse jaren twee internationale confederaties: het WVV en ICV.

Binnen het WVV ontstond discussie over de vraag hoe nu gereageerd moest worden op het Amerikaanse voorstel. De communistische vakorganisaties, afkomstig uit door de Soviet-Unie beheerste landen, meenden dat deze steun afgewezen moest worden. Vooral de vakorganisaties uit het westelijk deel van het Europese continent waren een andere mening toegedaan. Deze steun was een goede stimulans van hun economie en was broodnodig. Het was juist in het belang van de werknemers om deze steun wel te ontvangen.[2]

In 1948 riep de Engelse TUC alle niet-communistische vakorganisaties bijeen om het Marshallplan te bespreken. Dat leidde tot de oprichting van de  Trade Union Advisory Committee (TUAC), die door de OEES als de gesprekspartner namens de vakbeweging werd beschouwd. Zowel lidorganisaties van het IVVV als van het ICV waren hierbij aangesloten. Maar deze vreedzame samenwerking werd na verloop van tijd ernstig verstoord. Er was een herhaling van zetten zoals ook bij de ILO herhaaldelijk was voorgekomen: welke internationale vakorganisatie mocht het voortouw nemen? Het spitste zich in dit geval toe op de vakbewegingsraad bij de uitvoering van het Marshallplan. Het IVVV was van mening dat dit werk binnen haar organisatie geïncorporeerd zou moeten worden. Daar was het ICV het niet mee eens.[3] Het CNV ondersteunde het ICV in zijn pleidooi om ook een plek voor het ICV in te ruimen.[4] Maar deze doelstelling werd niet gehaald. Nog geen week later was het besluit in de TUAC genomen dat de werkzaamheden voor de Marshallhulp ondergebracht zouden worden bij het IVVV. Daarmee stond het ICV buiten spel.[5] Hierbij moet worden opgemerkt dat het NVV in de Raad voor Vakcentralen aangaf dit besluit te betreuren.[6]

De ontevredenheid van de ICV-organisaties nam in de loop der tijd toe. In juli 1953 barstte de bom. Het ICV voelde zich niet meer serieus genomen, waarop de secretaris van de TUAC, de IVVV-er Schevenels stelde dat het ICV niet moest zeuren. Ze hadden al een sterkere vertegenwoordiging binnen de TUAC dan op basis van ledentallen mocht worden verwacht. Dat argument werd snel terzijde geschoven. De vertegenwoordiging binnen de OEES- geledingen voor wat betreft de TUAC was op basis van nationaliteiten en niet op basis van ledentallen.[7] De reactie van Schevenels leidde er toe dat het ICV uit de TUAC stapte en zijn eigen vertegenwoordiging bij de OEES ging oprichten.[8] Diverse landen met een christen-democratische regering, zoals Frankrijk en Italië, ondersteund door Duitsland, bepleitten de erkenning van beide adviesorganen, maar dat werd tegengehouden door Engelse en Scandinavische regeringen.[9] Het CNV stelde eind 1953 aan het ICV voor om analoog aan de nieuwe ontwikkelingen binnen de EGKS[10] een verbindingsbureau op te gaan richten met een vertegenwoordiger namens het ICV en een namens het IVVV. Dat voorstel werd voorgelegd aan de toenmalige TUAC-secretaris, die daar persoonlijk wel een voorstander van was.[11] Uiteindelijk vonden beide organisaties elkaar weer in 1954. Een nieuw verbindingsbureau zou worden ingesteld, bestaande uit 9 IVVV-ers en 5 ICV-ers. Schevenels zou als algemeen secretaris aanblijven, de plaatsvervanger zou van ICV-huize komen.[12] Vanaf dat moment werd de TUAC op alle niveaus van de OEES geraadpleegd.

 

 

De EGKS

 

Vanaf 1950 werden de onderhandelingen gevoerd over de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. De aanleiding hiervoor waren de gedachten van J.Monnet, een topambtenaar binnen de Franse regering. Hij wilde voorkomen dat Duitsland en Frankrijk, de grootste protagonisten op het Europese continent gedurende laatste tweehonderd jaar, weer oorlog konden voeren. De beste manier om dat te voorkomen was beide landen intensief te laten samenwerken tussen de industrieën die noodzakelijk was voor de productie van wapens. Frankrijk beschikte over ruime hoeveelheden ijzererts, Duitsland over kolen. Beiden waren noodzakelijk om het staal te produceren dat nodig was voor wapens. Beheersing van de kolen- en staalindustrie leidde tot beheersing van de wapenindustrie en op den duur tot vrede. J. Monnet was teleurgesteld in de tot dan toe toegepaste intergouvernementele samenwerking. Hij wilde een supranationaal orgaan in de vorm van een Hoge Autoriteit. Het plan van Monnet werd door zijn politieke baas R. Schumann gegoten in het zogeheten Schumannplan. Dat leidde uiteindelijk tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, die op 1 januari 1953 van start ging.[13]

 

Al eind 1951, nog voor de ratificatie van het EGKS-verdrag door alle deelnemende landen, voerden ICV en IVVV gesprekken over de bemensing van enkele belangrijke posten. Er was een consultatief comité voorzien, waarin werknemers, naast gebruikers en werkgevers, zitting zouden mogen nemen. Na enkele gesprekken kwam men er op uit dat van de vijftien zetels elf bemensd zouden mogen worden door het IVVV en vier door het ICV. Binnen het CNV werd er vanuit gegaan dat de KAB deze post op zou eisen.[14] Maar tegen de tijd dat het verdrag werkelijk in werking zou gaan treden bleek dat het aantal uitgebreid zou worden naar zeventien zetels, waardoor beide geledingen er nog een zetel bij zouden krijgen, ofschoon een nieuwe organisatie, het Verbond van Leidinggevend Personeel deze twee nieuwe zetels ook claimde.[15] Deze organisatie werd niet serieus genomen door IVVV en ICV en derhalve buiten de verdeling van de zetels gelaten.

 

Tabel 1: verdeling van de zetels in het raadgevend comité EGKS volgens overeenkomst ICV en IVVV

 

Land

IVVV

ICV

Totaal

Duitsland

5

-

5

Frankrijk

2

2

4

Belgie

2

2

4

Nederlanmd

1

1

2

Luxemburg

1

-

1

Italie

1

-

1

Totaal

12

5

17

Bron: CNV, 25e Verslag 1952-1953, 575.

 

Deze verdeling leidde binnen de  Italiaanse vakbeweging tot grote ontevredenheid.Ze benaderden het CNV om de Nederlandse ICV-zetel af te staan aan de Italiaanse vakbeweging. Het CNV verwees hen naar het IVVV om daar hun zetel maar te regelen in het consultatief comité, daar de Italiaanse vakorganisaties CISL en UIL aangesloten waren bij het IVVV.[16] Maar in de uiteindelijke verdeling hield de Raad van Ministers geen rekening met deze overeenkomst tussen de internationale vakcentrales. De Italianen bleken meer invloed te kunnen uitoefen op de definitieve samenstelling van het Consultatief Comité: ze kregen een zetel meer ten koste van Nederland. Daardoor zou de Nederlandse vakbeweging gedurende de eerste twee jaar één zetel mogen bemensen, en voor de tweede periode twee zetels. Als gevolg hiervan werd in de Raad voor Vakcentralen een roulatieschema opgesteld.[17]

 

Wel of geen permanente zetel voor de RKMB?

 

De eerste vertegenwoordiger in het Consultatief Comité namens Nederland zou F.S. Dohmen zijn. Hij was voorzitter van de Rooms Katholieke Mijnwerkersbond (RKMB). Het NVV werd als waarnemer aangewezen. Het CNV kon zich wel vinden in deze verdeling van de zetels.[18] In een brief aan de minister van Economische Zaken was helder gemaakt hoe de verdeling er voor de komende jaren uit zou zien. Dohmen zou de eerste twee jaar voor zijn rekening nemen en het CNV de daarop volgende periode.[19] Vooral het feit dat de enige Nederlandse zetel niet door een NVV-er, en daarmee niet door een IVVV-er, werd bezet zal een belangrijke rol bij de afwegingen van het CNV hebben gespeeld.

In de tweede helft van deze vierjarige periode zou Nederland twee zetels krijgen in het consultatief comité. Daarover ontstond eind 1954 een heftige discussie tussen de drie vakcentrales. Zijlstra had bepaald dat het NVV de ene zetel zou krijgen en dat KAB en CNV onderling maar moesten uitmaken wie de tweede zetel zou moeten bemensen. Het CNV was het niet eens met Zijlstra. Zij waren er vanuit gegaan dat deze zetel automatisch bij het CNV terecht zou komen, zoals ook in het roulatieschema van december 1952 was overeengekomen. Dat lieten ze Zijlstra weten. En passant meldden ze in de brief dat het onterecht was dat de vakbeweging niet in aanmerking kon komen voor de verbruikerszetel in het consultatief comité.[20]

De KAB was een andere mening toegedaan. Vooral Dohmen zelf maakte duidelijk dat hij niet van zins was om zijn zetel in het consultatief comité op te geven. Als vertegenwoordiger van de RK-mijnwerkers, de grootste vakorganisatie voor mijnwerkers in Nederland, behoorde hij een vaste zetel in het comité te hebben. In de brief die in december 1952 was weliswaar een roulatieschema opgesteld, maar Dohmen kwam terug op deze toezegging. Het was fout geweest. De directeur van de staatsmijnen H.H. Wemmers had de CNV-kandidaat C.Feenstra, van de Protestants Christelijke Mijnwerkersbond (PCMB), gevraagd om zijn zetel in heroverweging te nemen en niet direct een benoeming te aanvaarden. Zijn vrees was dat de RK-bond de PCMB zou gaan verpulveren.

Maar het verbondsbestuur van het CNV deelde deze mening niet. De indruk mocht niet ontstaan dat het CNV bang was voor de Roomsen.[21] Een week later kwam de zaak in de verbondsraad aan de orde. Daar deed Ruppert de zaak nog eens uit de doeken. In 1952 was in de Raad van Vakcentralen (RvV) een roulatie-afspraak gemaakt. De KAB zou de eerste twee jaar een zetel leveren en het NVV een waarnemer. Het tweede deel van deze periode zouden NVV en CNV een zetel krijgen. De KAB voelde zich niet meer gebonden door deze afspraak, omdat het RvV was opgeheven. Het CNV vond deze argumentatie onzin, omdat een dergelijke afspraak los stond van het bestaan van de RvV. De vakcentrales kwamen er dus niet uit en legden de zaak voor aan minister Zijlstra. Die belegde een bijeenkomst en stelde dat KAB en CNV nog maar eens moesten gaan praten. Beiden gaven te kennen dat dat geen nut meer had. Daarop kende Zijlstra het CNV deze zetel toe. Dat was voor de katholieke mijnwerkersbond aanleiding om een grootscheepse agitatie in Limburg te ontketenen.[22] Het KAB was hierover ontstemd en stuurde Zijlstra een brief. Daarin gaf zij te kennen dat de brief van december 1952 een vergissing was en dat er geen prijs meer werd gesteld op een roulatieschema. Zijlstra antwoordde daarop dat hij het KAB-standpunt niet consistent vond en meldde de KAB dat hij zich het liefst niet genoodzaakt zag om beide brieven in de Kamer te moeten voorlezen. Bij het CNV bestond de indruk dat er nu een prestigestrijd wordt uitgevochten. Om die reden moest het CNV de kandidatuur van Feenstra wel handhaven.[23] Door een ingewikkeld roulatieschema op te stellen, waarbij de KAB de zwaarste vertegenwoordiging zou krijgen, werd een voor het CNV aanvaardbaar compromis bereikt. De ondergrens voor het CNV was dat geen enkele vakcentrale een permanente zetel zou krijgen.[24] Dat was binnen gehaald. Drie weken later werd in het verbondsbestuur gemeld dat de zaak was geregeld.[25]

 

Tabel 2: afgesproken roulatieschema tussen KAB, CNV en NVV voor consultatief comité EGKS

Tweejarige perioden

KAB

CNV

NVV

1953-1955

1

-

Waarnemer

1955-1957

1/2

½

1

1957-1959

Waarnemer

1

-

1959-1961

1

-

1

1961-1963

-

Waarnemer

1

1963-1965

1

1

-

                Bron: CNV, 26e Verslag 1954-1955, 361.

 

In de CNV-Verbondsraad meldde Ruppert dat om de vriendschap met Zijlstra niet op het spel te zetten, het CNV met het compromis akkoord was gegaan. De Verbondsraad had hier toch moeite mee. Als nu zo soepel werd ingestemd met het compromis, waarom dan alle trammelant? Had dit niet van te voren voorzien kunnen worden? Maar Ruppert liet zich niet van de wijs brengen en herinnerde de Verbondsraad er even aan dat er afspraken waren gemaakt en dat deze door de KAB niet werden nagekomen. Daarom was dit alles niet voorzien geweest.[26]

Het afgesproken roulatieschema maakte nog geen einde aan de wensen van de KAB. In november 1955 kwam Dohmen weer terug op de eerder dat jaar gemaakte afspraken. Hij weigerde uit het consultatief comité te stappen. Hij verdedigde zijn tournure nu met het feit dat er begin 1955 grote druk op hem was uitgeoefend om akkoord te gaan met het compromis.[27] Nu ontstond er echter ook druk binnen zijn eigen vakcentrale, waardoor uiteindelijk in januari 1956 gemeld kon worden dat Dohmen ontslag had genomen van het consultatief comité.[28] De onenigheid bleef echter bestaan tussen de vakcentrales over de bemensing van deze zetel. De KAB handhaafde zijn opvatting dat ze, vanwege haar grote aanhang onder de mijnwerkers in Limburg, een permanente zetel voor de kolen moest opeisen. De andere twee vakcentrales konden en wilden daar niet mee akkoord gaan.[29]

 

Naast de vertegenwoordiging van de werknemers in het Consultatief Comité mochten de werknemers personen voordragen voor de andere EGKS-instellingen. Zo konden de internationale vakorganisaties personen voordragen voor de Hoge Autoriteit alsmede voor het Hof van Justitie. Het IVVV en ICV bereikten hierover een deal, waarbij het IVVV de ICV-kandidaat voor het Hof van Justitie zou ondersteunen en het ICV omgekeerd met de IVVV-kandidaat voor de Hoge Autoriteit.[30] De ICV-kandidaat voor het Hof van Justitie werd P.J.S. Serrarens, algemeen secretaris van het ICV en de buitenlandspecialist van de KVP-fractie in de Tweede Kamer.[31] Deze kandidatuur werd eveneens door de Nederlandse regering ondersteund en kon rekenen op steun bij andere landen.[32] Daardoor kon Serrarens met ingang van 1 januari 1953 benoemd worden als niet-jurist in het Hof van Justitie.[33] De voorgedragen kandidaat voor de Hoge Autoriteit van de zijde van het IVVV, de Belgische socialist Paul Finet,  kon eerst op weinig steun rekenen bij de vertegenwoordigers van de regeringen.[34] Later bleek dat er wel voldoende steun voor hem was, zodat hij deel kon uitmaken van de Hoge Autoriteit.[35]

 

Nieuwe voorstellen voor Europese samenwerking.

 

Ondertussen werd tussen de lidstaten van de EGKS onderhandeld over verdere stappen. Met name de onderhandelingen over de Europees Politieke Gemeenschap trokken eind 1952, begin 1953 de aandacht. Er was al enige tijd over dit onderwerp van gedachten gewisseld tussen de lidstaten van de EGKS. In Nederland was na de verkiezingen van 1952 een nieuw kabinet aangetreden. Hier was een noviteit in opgenomen: er kwamen twee ministers van Buitenlandse Zaken. J.M.A.H. Luns was meer de man van transatlantische betrekkingen. J.W. Beyen meer voor de Europese ontwikkelingen. Deze taakverdeling werd niet zonder slag of stoot bereikt. Enige discussies tussen de beide ministers samen met W. Drees en L.J.M. Beel zorgden uiteindelijk voor deze accenten in beider functies.[36] In feite zou gesteld kunnen worden dat hiermee de eerste keer een aparte bewindspersoon voor Europese Zaken binnen een Nederlands kabinet werd aangesteld. Beyen had een financieel-monetaire achtergrond en had veel internationale ervaring, maar weinig politieke. Toen hij aantrad als minister had hij direct te maken met de EGKS en de onderhandelingen over de Europees Politieke Gemeenschap. Nederland stond niet bekend als de grootste voorvechter van de Europese integratie. Economische samenwerking werd nuttig geacht, maar samenwerking op het terrein van de politiek en militaire aangelegenheden kon rekenen op een terughoudende reactie van de Nederlandse regering. Vooral tijdens het tweede kabinet Drees hadden Stikker en Lieftinck, maar ook Drees een duidelijk remmende rol vervuld. Daar tegenover stonden S. Mansholt en Van den Brink, die aanzienlijk positiever gestemd waren.[37] Met deze erfenis werd Beyen bij zijn aantreden geconfronteerd. Om een positievere indruk achter te laten formuleerde hij het zogeheten Plan Beyen. De kern kwam er op neer dat politieke integratie niet zonder economische integratie kon.  Hij diende dit plan in aan de vooravond van een bijeenkomst van de ministers van buitenlandse Zaken in december 1952. Hierin stelde hij de oprichting van een douane-unie voor. Daarnaast moest er intensieve samenwerking komen voor wat betreft de landbouw en de transportsector. Het voorstel ontving een positief onthaal in 1953.[38]

Deze plannen raakten ook bekend bij de vakbeweging. De Franse CFTC tipte de Nederlandse vakcentrales dat er ten aanzien van de raadpleging van de sociale partners een te zwakke formulering was gebruikt. Er was nu nog sprake van een vrijwillige raadpleging van de sociaal-economische raad. Dat moest veranderd worden in een verplichting. Het CNV kon zich wel vinden in de mening van de Fransen en liet dat ook weten aan de Nederlandse regering.[39] Maar uiteindelijk sneuvelden deze plannen als gevolg van de houding van het Franse parlement over de Europese Defensiegemeenschap. Daardoor waren de plannen om te komen tot een Europees Politieke Gemeenschap, inclusief het plan Beyen, van tafel.[40]

 

Maar deze Franse spaak in de Europese integratiewielen leidde er niet toe dat de Benelux-ministers bij de pakken neer gingen zitten. Al in maart 1955 bespraken Beyen en zijn Belgische en Luxemburgse collega’s Spaak en Bech de mogelijkheden voor een wederopstanding van de economische integratie. Ze schreven een memorandum, waarin een pleidooi werd gehouden voor een gemeenschappelijke markt – de wens van Beyen – en een nieuwe instelling voor de vreedzame toepassing van kernenergie, een wens van de Fransen. Dit memorandum werd gezonden naar alle ministers van Buitenlandse Zaken van de EGKS met de uitnodiging om hier op korte termijn m,et elkaar over van gedachten te wisselen. Dat gebeurde tijdens de conferentie van Messina in juni 1955. Het overleg leverde niet veel concrete resultaten op, behalve dat een werkgroep onder leiding van de Belg Spaak, verdere plannen moest uitwerken. Hij slaagde daar al snel in, want al in april 1956 kon hij het rapport al presenteren. Nadat deze plannen waren aanvaard door de zes ministers moesten ze nog in verdragsteksten worden gegoten. Dat kostte aanzienlijk meer tijd.[41]

In het najaar van 1956 werden de onderhandelingen over de nieuwe verdragen gestart. De vakbeweging kreeg in de gaten dat het van belang was om daar nauw bij betrokken te blijven. Om die reden bepleitte het een stevige rol in de onderhandelingsdelegatie. Daarnaast bepleitte het een structurele positie voor de werknemers in de Europese instellingen, waarbij het voorstel om te komen tot een soort Europees Economisch en Sociaal Comité van harte werd ondersteund.[42]

 

In het voorjaar van 1957 kwamen de onderhandelingen in een beslissende fase. Dat was voor de vakorganisaties binnen het ICV aanleiding om een onderhoud met P.H.Spaak te vragen. Ter voorbereiding op dat gesprek werd een nota opgesteld. Over het algemeen kon het ICV wel instemmen met de algemene doelstellingen van de gemeenschappelijke markt, ofschoon de sociale en economische doelstellingen wel nadrukkelijker in de preambule mochten worden verwoord. Naast het verdrag zouden sociale onderwerpen in aparte conventies geregeld moeten worden, zoals de sociale zekerheid van migrerende werknemers en de opleiding en overplaatsing van werknemers als gevolg van herstructurering. Veel aandacht werd besteed aan de positie van de vakbeweging bij de Europese instellingen. Analoog aan de Hoge Autoriteit bij de EGKS zou ook hier een deel van de commissarissen gekozen moeten worden uit “sociale kringen”, waarbij één uit de christelijke vakbeweging afkomstig moest zijn. Naast een vertegenwoordiging in de Commissie zou de vakbeweging op een paritaire basis vertegenwoordigd moeten zijn in de Sociaal Economische Raad. Een drieledige structuur zou alleen aanvaardbaar zijn als de derde groep ook werkelijk onafhankelijke deskundigen zouden zijn, die door de Europese Commissie zou worden aangewezen. De adviezen zouden gericht mogen worden aan alle Europese instellingen, niet alleen tot de Europese Commissie. Daarbij zou hij ook het recht van initiatief moeten hebben. Naast de Sociaal Economische Raad waren permanente raadgevende comités voorzien, waar de vakbeweging op paritaire basis zou moeten zijn vertegenwoordigd.[43]

Over de omvang van de EEG bleef het ICV lange tijd streven naar een groter gebied dan alleen de EGKS. Het hoopte dat alle OEES-landen deel zouden nemen aan de EEG. Het verbond er wel een voorwaarde aan: de verworvenheden van de EEG mochten niet teniet gedaan worden. Ofschoon het ICV zich volledig kon vonden in de doelstellingen bleef het tot aan het einde van de onderhandelingen toe klagen over de onvoldoende positie van de vakbeweging.[44]

Daar was ook wel enige aanleiding voor. In vergelijking met de invloed van de vakbeweging bij de EGKS was de invloed nu aanzienlijk minder. Dat was al het geval tijdens de onderhandelingen. Bij de EGKS waren vakbondsvertegenwoordigers in de onderhandelingsdelegaties opgenomen, dat was bij de EEG-onderhandelingen niet meer het geval. Bij de EEG was de invloed van de vakbeweging beperkt tot adviesfuncties via het Economisch en Sociaal Comité en de raadgevende comités, bij de EGKS mocht zij ook personen voordragen voor de Hoge Autoriteit en het Hof van Justitie EGKS. Het is niet duidelijk waardoor deze veranderde houding werd veroorzaakt. Andere tijden met andere politici? Slechte ervaringen met de vakbondsmannen binnen de Europese instellingen? Het is niet duidelijk. B. Barnouin suggereert dat het komt door andere leidende politici in de Franse en Duitse regering. Vooral de Duitse minister van Economische Zaken, de latere bondskanselier, H.Erhard zou de betrokkenheid van sociale partners in de Europese instellingen als een mogelijke inbreuk van de gemeenschappelijke markt zien.[45]

 

De Nederlandse vakbondsvertegenwoordiging in het ESC


Nadat de EEG in werking was getreden, brak een nieuwe fase aan. Tot aan het einde van 1957 was vooral ingezet op een voldoende vertegenwoordiging van de vakbeweging in het Verdrag, in het begin van 1958 moest worden geknokt voor een voldoende vertegenwoordiging van de christelijke vakbeweging in de Europese organen. Dat begon al in januari 1958 bij het raadgevend comité voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). Het ICV allerteerde de aangesloten vakorganisaties dat er voldoende christelijke vakorganisaties in dit comité zouden worden opgenomen.[46]

Daarnaast barstte de discussie los over het Economisch en Sociaal Comité. In de eerste plaats ging het over de verdeling van de 12 zetels. De vakbeweging streefde een verdeling van iedere geleding vier zetels. De werkgevers waren het daar niet mee eens en wensten voor de werkgevers vijf zetels, voor de werknemers eveneens vijf zetels en 2 zetels voor de onafhankelijken. Dat zou betekenen dat binnen de werknemerszetels er twee voor NVV en KAB zouden zijn en één voor het CNV. Bij de plaatsvervangende zetels zouden NVV en CNV er ieder twee krijgen en de KAB één.[47] Uiteindelijk legde de vakbeweging zich bij de verdeling tussen werknemers en werkgevers neer.[48]

Maar tussen de vakcentrales ontstond weer een discussie over de zetelverdeling. De verdeling van de gewone zetels werd door alle drie aanvaard, maar de verdeling van de plaatsvervangende zetels leverde discussie op. En weer tussen KAB en CNV. De KAB ging niet akkoord met de twee plaatsvervangende zetels voor het CNV: zij claimde die twee.[49]

Daarna ontstond discussie over de bezetting van deze zetels. In de eerste plaats was er een discussie over de bemensing van de twee zetels voor de onafhankelijke zetels. Al snel werd duidelijk dat dit J. Tinbergen en G.M. Verrijn Stuart zouden worden voorgedragen.[50] De grootste discussie betrof echter de invulling van de zetels door de vakbeweging. Bij het CNV was C.P. Hazenbosch niet alleen secretaris van het Verbond, maar tevens lid van de Tweede Kamer namens de ARP. Daar was hij de Europa-woordvoerder en in die hoedanigheid ook lid van het Europees parlement. Het CNV wilde hem voordragen voor het Economisch en Sociaal Comité. Dat was niet toegestaan: een lidmaatschap van het ESC en van het Europees Parlement was onverenigbaar. Dus moest er gekozen worden. Hazenbosch zou lid blijven van het Europees Parlement, waar hij inmiddels vice-voorzitter van was geworden, waardoor het CNV naar een andere vertegenwoordiger in het ESC om moest zien. Dat leidde er toe dat een extra vergadering werd uitgeschreven om te kijken hoe dit probleem opgelost moest worden. Diverse namen werden genoemd, zoals A. Borstlap, P. Tjeerdsma, J. Boersma en W. Albeda. Uiteindelijk zou Albeda worden benaderd, ofschoon hij een functie binnen de EEG ambieerde. Daarom zou voorlopig de naam van Tjeerdsma worden opgegeven.[51] Maar voor het einde van het jaar was een definitieve oplossing gekozen: D. van der Mei werd in dienst genomen om het Europese werk op zich te nemen. Hij was al lid van de Tweede Kamer namens de CHU. Het lidmaatschap van het nationale parlement en het ESC was wel verenigbaar.[52]

 

Maar hoe konden de vakcentrales nu optimale invloed krijgen op de Europese ontwikkelingen? Met die vraag worstelden de vakcentrales. Ze keken daarbij naar de werkgevers. Die gebruikten de informatie die ze kregen binnen het ESC en binnen een los samenwerkingsverband van werkgevers om in een contactcommissie besluiten over Europese zaken voor te bereiden. Het Verbondsbestuur meende dat dit voorbeeld navolging verdiende.[53] Deze gedachten kwamen overeen met de discussie binnen de arbeidersgroep van het ESC. Ook daar werd gemeend dat het verstandig was om een samenwerkingsverband in de arbeidersgroep op te richten, zij het een los samenwerkingsverband. Enkele leden, twee namens het ICV en vier namens het IVVV, zouden een reglement van orde opstellen. De Belgische socialist Major zou voorzitter van de arbeidersgroep worden.[54]

 

Wel of niet een protestants-christelijke waakhond in het ICV-secretariaat

 

Lange tijd had Nederland een prominente positie in het ICV-secretariaat. P.J.S. Serrarens was lange tijde algemeen secretaris, maar moest deze functie verlaten als gevolg van zijn benoeming in het Hof van Justitie EGKS in januari 1953. Zijn plek werd ingenomen door A.  Vanistendael. Het CNV zag nu zijn kans schoon om een adjunct-secretaris bij het ICV te krijgen. Daarom werd er binnen CNV-kringen uitgekeken naar een man die deze functie zou kunnen bekleden. Het werd namelijk van groot belang geacht dat er een protestants geluid te horen was in het ICV-secretariaat. Allereerst werd J. ten Heuvelhof van de NCBO hiervoor benaderd. Maar deze wilde niet.[55] Daarop werd Borstlap gevraagd, die hier wel voor in was.[56] Hij maakte deel uit van het Verbondsbestuur en vertrok in maart 1953 om zijn werk in Brussel op zich te gaan nemen.[57] Maar al in november 1953 liet hij weten dat hij het niet kon redden onder Vanistendael. Deze laatste had te kennen gegeven dat het het verstandigste zou zijn als Borstlap naar het CNV zou terugkeren. Het Verbondsbestuur was van mening dat hij weer gewoon deel kon uitmaken van het Verbondsbestuur, maar in de Verbondsraad werd dachten sommigen daar anders over. Sommigen meenden dat hij opnieuw verkozen moest worden, maar anderen wezen erop dat hij al een keer verkozen was. Uiteindelijk ging de verbondsraad ook akkoord met zijn terugkeer als gewoon lid van het verbondsbestuur.[58]

Het CNV wilde echter invloed hebben op het ICV-secretariaat en ging weer op zoek naar een geschikte kandidaat. Weer werd een beroep gedaan op Ten Heuvelhof om zich beschikbaar te stellen als adjunct-algemeen-secretaris.[59] Maar weer weigerde hij.[60]

Om misschien nog enige kans te maken dat hij wel bereid zou zijn om zich kandidaat te stellen werd Vanistendael gevraagd om Ten Heuvelhof zelf te gaan benaderen.[61] Dat bleek een goed advies, want nu was hij bereid om deze functie te aanvaarden, mits er niet te veel ruchtbaarheid aan deze overstap zou worden gegeven. Hij had geleerd van de ervaringen van zijn voorganger: die was na zijn proefperiode weer teruggekomen en die vernederende ervaring naar buiten toe wilde hij zelf niet meemaken. Nu daar afspraken over gemaakt waren, was hij bereid om te gaan.[62] Maar hij hield evenmin lang vol. Al in oktober van hetzelfde jaar keerde hij terug naar Nederland. Zijn indruk was dat Vanistendael goed zijn werk deed en dat daar niet per se een man met een protestants-christelijke achtergrond zou hoeven te zitten. Die mening werd niet gedeeld door de Verbondsraad. Die was van mening dat er juist wel een dergelijke persoon moest zijn. Om niet nog een keer een CNV-er te laten stuk lopen binnen het secretariaat werd naar het Zwitsers SVEA gekeken of zij geen geschikte kandidaat hadden.[63] Maar ook dat liep op niets uit. Het gevolg was dat voor deze positie iemand namens het Belgische ACV of de Franse CFTC zou worden voorgedragen. Daarmee was duidelijk geworden dat het protestantse element in het uitvoerend secretariaat van het ICV voorlopig van de baan was.

 

Europa los van de wereld?

 

Om een goede invloed uit te kunnen oefenen op het beleid van de EEG stelde de voorzitter van het Belgische ACV Cool voor om een Europees Verbond van Christelijke vakorganisaties in het leven te roepen. Ruppert was hier wel een voorstander van, maar wilde dat dit een Europese afdeling van het ICV zou vormen. Het CNV beschouwde in potentie de Europese afdeling belangrijker dan het ICV. Op basis van de lidorganisaties binnen de EEG-landen was het wel duidelijk dat er slechts één protestants-christelijke vakorganisatie lid zou worden van de Europese afdeling. Om die reden leek het Ruppert niet handig dat het CNV de voorzitter van de Europese afdeling zou leveren. Dat moest dan maar door de Fransen of de Belgen worden gedaan. Hij wilde dat het CNV dan de voorzitter van het ICV zou leveren.[64]

Maar de oprichting van een Europees verbond van christelijke organisaties leidde tot een stevige discussie. De eerste vraag betrof de organisatie. Moest er een commissie voor Europese zaken komen, binnen het ICV, een apart op te richten verbond? In het laatste geval zou het ICV wel eens uitgehold kunnen worden. Daarnaast speelde de vraag hoe de invloed verdeeld zou moeten zijn binnen de Europese organisatie. Hoe zou deze moeten worden samengesteld? Zouden de vakinternationales[65] daarin een belangrijke rol moeten spelen of juist niet? Voor het CNV was een stevige protestants-christelijke positie van groot belang. Indien de vakinternationales een grote invloed binnen de Europese organisatie zouden krijgen, vreesde het voor een te beperkte protestants-christelijke invloed in de Europese organisatie. Daarom stelde het CNV voor dat het bestuur van de Europese organisatie zou moeten bestaan uit zes personen namens de nationale vakcentrales en drie namens de vakinternationales. Gezien de recente CNV-ervaringen met adjunct-secretarissen bij het ICV, zou als secretaris een persoon moeten worden voorgedragen die dicht bij Vanistendael zou staan. Gedacht werd aan de Belgische Pool J. Kulakowski.[66]

Binnen de Verbondsraad werden de gedachten van Ruppert niet zonder slag of stoot aanvaard.  H. Peters van de CMB meende dat de Europese commissie of organisatie in zijn geheel door de vakcentrales moest worden gedragen. En hoe die vakcentrale zijn zetels zou verdelen, zou aan de vakcentrale zelf overgelaten moeten worden. Ruppert kon zich hier wel in vinden. Mocht een vakcentrale twee zetels krijgen, dan zou één door de vakcentrale worden ingenomen en de andere door een aangesloten vakbond. Maar hij schatte in dat de  vakinternationales wel in het bestuur van de Europese commissie zouden worden opgenomen. Daarom wilde hij dat één van de zetels voor de vakcentrales bij het CNV terecht zou komen. En van de drie zetels voor de vakinternationales zou er ook één door het CNV bemand moeten worden. Daarmee zou de Nederlandse, maar vooral ook de protestantse-christelijke, invloed voldoende zijn gegarandeerd.[67]

In eerste instantie leek het erop dat de plannen van het CNV een grote kans van slagen hadden. Het zou geen aparte organisatie worden, maar een Europese commissie binnen het ICV. Iedere vakcentrale uit een EEG-lidstaat zou twee personen afvaardigen in de Europese Commissie van het ICV, iedere vakinternationale één vertegenwoordiger. In het uitvoerend bestuur zouden alle vakcentrales met één persoon zijn vertegenwoordigd en de vakinternationales tezamen zouden drie personen mogen voordragen. Er zouden twee secretarissen worden aangesteld voor het Europese werk, zij het ieder met hun eigen werkveld: J. Kulakowski en De Bruyn.[68]

Het uiteindelijke voorstel zag er echter voor wat betreft de samenstelling toch anders uit. Alleen vakcentrales zouden in de Europese Commissie van het ICV worden opgenomen. De vakinternationales bleven er buiten. De Franse CFTC en ACV zouden ieder zes zetels krijgen, CNV en KAB ieder vier. LCGB en CGB zouden er ieder twee krijgen. De helft van de zetels zouden ingenomen moeten worden door aangesloten vakbonden.[69]

Dit leidde echter tot verzet van de Europese organisaties die niet tot één van de EEG-lidstaten behoorden. Zij wilden ook deel uit kunnen maken van deze Europese Commissie van het ICV. Het CNV kon zich wel vinden in deze kritiek. Ook bij de andere organisaties bestond begrip voor deze opvatting, waardoor werd besloten om de Europese Commissie open te stellen voor alle Europese vakorganisaties, maar dat over de EEG-aangelegenheden alleen de vakorganisaties uit de EEG-lidstaten het stemrecht zouden hebben. Cool werd tot voorzitter gekozen en Kulakowski als secretaris.[70]

 

De rustige jaren zestig

 

In de jaren zestig veranderde de Europese agenda voor de vakbeweging. Stond deze in de jaren vijftig vooral in het teken van het verkrijgen van invloed op het Europese speelveld, door een goede vertegenwoordiging te eisen binnen alle Europese organisaties, vanaf de jaren zestig verschoof de aandacht zich naar twee andere thema’s.

In de eerste plaats de inhoudelijke thema’s. De vakbeweging klaagde over de onvolledige agenda van de Europese instellingen. De sociale agenda kreeg geen aandacht: te veel aandacht was gericht op de douane-unie. Daarom streed ze er voor om de sociale vraagstukken meer op de Europese agenda te krijgen van regeringen en de Europese instellingen. Zo mocht niet alleen de opbouw van de douane-unie alle aandacht krijgen van de instellingen, maar moest ook vaart worden gemaakt met het ontwikkelen van het Europese sociaal en economische beleid van de EEG. Daarbij werd de Europese Commissie en het Europees Parlement niet veel verweten, maar de raad van ministers des te meer.[71] Deze lijn is de hele jaren zestig door te herkennen.

Later, vanaf het midden van de jaren zestig werd een ander thema toegevoegd, namelijk de onderhandelingen tussen werknemers en werkgevers op Europees niveau. De ontevredenheid van de sociale partners over hun betrokkenheid bij de totstandkoming van Europees beleid was groot. De organisatie van grote conferenties was van weinig nut. De consultatie van het bedrijfsleven moest op een andere manier plaats gaan vinden.[72] Die mening werd nog wel gedeeld door de Europese Commissie, maar door het Franse wantrouwen  tegenover de supranationale instellingen, zoals de Europese Commissie, werd de ruimte aanzienlijk beperkt om te komen tot consultaties. Dat werd nog eens duidelijk nadat de ruzie met de Franse regering was bijgelegd. De Fransen wilden niet overgaan tot meerderheidsbesluitvorming binnen de raad van ministers en wilden de positie van de Europese Commissie aan banden leggen. Dat werd uiteindelijk geregeld in het compromis van Luxemburg.[73] De inschatting van het ICV was dat hierdoor tripartite conferenties in de toekomst nog moeilijker tot stand zouden komen. De lidorganisaties werden opgeroepen om hun ministers te bewegen zich uit te spreken voor de organisatie van tripartite conferenties.[74] De vraag is echter of dit volledig aan de houding van de Fransen kan worden geweten of dat de houding van de Duitse bondskanselier H. Erhard hier een belangrijke bijdrage aan heeft geleverd.[75]

 

De sociale partners wilden gezamenlijke verklaringen in de richting van de Europese instellingen uitbrengen. Via die conferenties hadden ze in ieder geval een duidelijke gesprekspartner. Daarnaast wilden ze ook gezamenlijk overleg voeren over belangrijke thema’s. Hierover bereikten de werkgevers, verenigd in UNICE, en de beide Europese organisaties van het ICV en IVVV in 1966 een gemeenschappelijk akkoord.[76] Het duurde echter nog tot eind 1967 alvorens een eerste poging werd ondernomen om tot een eerste advies te komen over de arbeidsmarkt.[77] Er werden diverse werkgroepen in het leven geroepen: het Europees Sociaal Fonds, de beroepsopleiding en het vrije verkeer van werknemers.[78] Verder waren de Europese sociale partners het eens over de manier waarop het overleg moest worden voorbereid: de sociale partners moesten hier optimaal bij betrokken worden. Mocht het zo zijn dat deze wens werd afgewezen, dan zouden de sociale partners weigeren deel te nemen aan het tripartite overleg.[79] Daarnaast zou het overleg op hoog niveau moeten plaats vinden: niet alleen met ambtenaren van de Europese Commissie, maar met leden van de Commissie en de Europese Raad.[80] Door de komst van andere personen binnen de Franse en Duitse regering vond in 1969 een eerste bijeenkomst plaats.

 

Op één terrein kon niet gesproken over voortkabbelende jaren zestig. Dat was de uitbreiding van de EEG. Al spoedig liet het Verenigd Koninkrijk weten belangstelling te hebben voor het lidmaatschap van de EEG. De Nederlandse regering was hier altijd al een groot voorstander van geweest. Nu de Britten te kennen hadden gegeven te willen toetreden tot de gemeenschappelijke markt, ondersteunde de Nederlandse regering deze plannen volmondig. Binnen het ICV bestonden enige reserves. Het was benauwd voor de mogelijke gevolgen voor de Europese integratie en gaf al snel aan dat een mogelijke uitbreiding niet ten koste mocht gaan van de bestaande afspraken, zoals die vastgelegd waren in de verdragen. Indien er problemen zouden zijn, dan moest het maar opgelost worden in een protocol.[81] Om te voorkomen dat er te veel concessies aan de Engelsen werd gedaan, wilden de Nederlandse vakorganisaties van meet af aan betrokken worden bij deze onderhandelingen. De Nederlandse regering kwam tegemoet aan deze wensen, door toe te zeggen dat ze het bedrijfsleven op de hoogte zou houden van het verloop van de onderhandelingen met het VK.[82]

Deze onderhandelingen verliepen in de jaren 1962, 1963 niet voorspoedig. Na verloop van tijd vroegen velen zich af of de Britse wens tot toetreding wel serieus was, gezien de langdurige onderhandelingen over bijvoorbeeld de vraag hoe met het kangaroevlees uit Australië moest worden omgegaan binnen de douane-unie. Toch kwam het Franse veto tegen de toetreding nog onverwachts. In januari 1963 kondigde hij aan dat bij de volgende onderhandelingen met de Britten hij een einde wilde maken aan die onderhandelingen. Die aankondiging viel bij de Nederlandse vakbeweging slecht. Reden voor een telegram naar de Nederlandse regering om hen duidelijk te maken niet akkoord te gaan met de houding van de Franse president De Gaulle.[83] Het mocht echter niet baten. Op 29 januari 1963 werd formeel een einde gemaakt aan de onderhandelingen met de Britten.[84]

 

Wil de echte Franse lidorganisatie van het ICV opstaan?

 

Binnen de Europese Organisatie van het ICV ontstond in de loop van de jaren zestig een heftige discussie. Deze had betrekking op de Franse CFTC. Binnen deze organisatie trad een splitsing op. Al vanaf de Tweede Wereldoorlog waren twee stromingen binnen de CFTC herkenbaar. Het strijdpunt was de identiteit van de organisatie. Moest de CFTC zich nu bekennen tot de katholieke sociale leer of juist niet? Een minderheid was de laatste mening toegedaan, een nipte meerderheid meende van wel. Het compromis werd gevonden in een formulering van de statuten waar werd verwezen naar la morale sociale chrétienne. Dat kon worden gezien als een afzwakking van een rechtstreekse verwijzing naar Rerum Novarum, maar zo werd het door de leidende figuur binnen de CFTC. G. Tessier niet opgevat. Hij hanteerde een strikte interpretatie van de christelijke identiteit.

Maar de strijd was niet ten einde. In de jaren veertig en vijftig versterkten de tegenstellingen zich. De minderheid van direct na de Tweede Wereldoorlog verkreeg cruciale posities binnen de vakbond, waardoor de minderheid langzaamaan een meerderheid binnen de vakbond kreeg. Ook de aggionarmento binnen de katholieke kerk gaf deze stroming de wind in de zeilen. De voorstanders van minder nadruk op de christelijke identiteit zagen hun kaqns schoon in 1964. Tijdens het congres werd voorgesteld om elke verwijzing naar de christelijke identiteit te schrappen, de naam te wijzigen in CFDT, Confédération Française Démocratique de Travail. In de preambule van de statuten werd weliswaar nog verwezen naar het christelijke humanisme, de waarde van de menselijke persoon en de rechten van de mens, maar het was een forse afzwakking van het christelijk-sociale karakter. Een minderheid wilde de christelijke identiteit niet loslaten en wilde niets weten van hervormingen binnen de CFTC. Ongeveer 90% van de leden ging over naar de CFDT, ongeveer 10% bleef lid van de CFTC.[85]

Binnen het ICV ontstond een discussie over de vraag welke vakorganisatie nu lid kon blijven van het ICV en welke vakorganisatie het veld zou moeten ruimen. Het CNV was van mening dat het ICV de voorstanders van de handhaving van de christelijke identiteit niet in de steek mocht laten.[86] Deze mening was het gehele bestuur van het ICV toegedaan.[87] Maar binnen de Verbondsraad van het CNV was niet iedereen overtuigd van het feit dat de CFDT buiten de deur geplaatst moest worden. De grootte van de organisatie zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, maar vooral Ten Heuvelhof stelde zich de vraag waar nu het verschil in de christelijke identiteit te vinden was. Het verbondsbestuur stelde dat hoe dan ook de CFTC lid moest blijven van het ICV. Als de CFDT dan ook lid wilde blijven, dan was dat voor het verbondsbestuur geen probleem. Maar of de CFDT wel geïnteresseerd was in het lidmaatschap van het ICV werd door sommigen ernstig betwijfeld. Zij meenden dat de CFDT wel eens belangstelling voor het IVVV zou kunnen hebben.[88]

Maar de CFDT zag zich als de rechtsopvolger van de CFTC en wilde daarom de aansluiting bij het ICV behouden. Dat lag moeilijk binnen het ICV. Er heerste weinig sympathie voor de CFDT en de manier waarop afscheid was genomen van de christelijke identiteit. Ook op het persoonlijke vlak lieten de verhoudingen met de leiding van de CFDT te wensen over. Het gevolg was dat er formeel voorrang verleend moest worden aan het lidmaatschap van de CFDT, maar dat de sympathie meer lag bij de CFTC. Dat lastige probleem moest opgelost worden binnen het bestuur van het ICV.[89]

Daartoe was een commissie van goede diensten binnen het ICV aan het werk gezet om na te gaan op welke manier het probleem van de aansluiting van CFTC en CFDT opgelost zou kunnen worden. In deze commissie zat onder andere W. Albeda namens het CNV. Deze commissie had zijn uitkomsten nog niet gepresenteerd op het moment dat een uitnodiging voor het congres van de CFTC in 1965 werd besproken binnen de Verbondsraad van het CNV. Het Verbondsbestuur had besloten dat Albeda naar het congres moest gaan als vertegenwoordiger van het CNV. Ten Heuvelhof was het daar niet mee eens. Het CNV moest geen partij kiezen voor de een of de ander. En als er dan iemand moest gaan, dan geen bestuurder maar een medewerker. De CNV-voorzitter J. van Eibergen deelde de mening van Ten Heuvelhof niet. Hij herinnerde hem er fijntjes aan dat het CNV steeds de CFTC had ondersteund en niet de CFDT. Daarom stelde hij voor dat het CNV een vertegenwoordiger naar beide congressen kon sturen. Ten Heuvelhof kon zich daar wel in vinden, maar vroeg zich hardop af of het dan wel verstandig was dat Albeda, als lid van de commissie van goede diensten, dan wel de aangewezen persoon was. Deze memoreerde het besluit van het ICV-bestuur, namelijk dat de CFDT zijn lidmaatschap mocht behouden en dat de CFTC lid mocht worden van het ICV, mits ze haar naam zou wijzigen. De CFTC was het daar niet mee eens, en was in beroep gegaan. Over dat onderwerp zou de commissie van goede diensten binnen afzienbare tijd zijn compromis presenteren. Daarbij merkte Albeda wel op dat ook de houding van Tessier het niet makkelijker maakte om tot een compromis te komen. De Verbondsraad sprak als haar conclusie uit dat de CFTC altijd lid zou mogen blijven van het ICV, ongeacht of ze haar naam zou wijzigen of niet.[90] Over de gang naar het congres werd gestemd: zeven waar voor, vier tegen en vier onthoudingen.[91]

Uiteindelijk kon het ICV-bestuur niet anders dan knarsetandend oordelen dan dat de CFDT de rechtmatige erfopvolger was van de CFTC en daardoor het lidmaatschap van het ICV mocht behouden. De CFTC mocht lid worden van het ICV, mits ze haar naam zou weigeren. Die opoffering was haar teveel.[92]

 

Op weg naar het EVV

 

Zowel bij het WVA als bij het IVVV was een regionale organisatie voor Europa opgericht. Deze organisaties hadden tot taak om vooral de belangen van de werknemers binnen de EEG te behartigen. Om een goed tegenwicht te kunnen bieden tegenover de werkgevers werkten beide organisaties samen. Dat ging lang niet altijd van harte. Vaak werd geklaagd over het gebrek aan samenwerking. Dat kan als een rode draad door de jaren vijftig en zestig worden gezien. Daarbij kwam dat de moeizame samenwerking op nationaal niveau vaak werd getransporteerd naar het internationale en Europese niveau. Zo zagen de Italiaanse vakorganisaties CISL en UIL, beiden bij het IVVV aangesloten, de samenwerking met de ACLI, die aangesloten was bij het WVA totaal niet zitten. Dat gold ook voor Duitsland. De DGB erkende de CGB, die bij het WVA was aangesloten, niet. Samenwerking met het WVA werd toegestaan, mits deze organisaties niet aanwezig waren bij gezamenlijke bijeenkomsten.[93]

Toch werd gewerkt aan een meer structurele samenwerking tussen de secretariaten van beide Europese organisaties. Al in 1966 werd door de toenmalige voorzitter van de Europese Organisatie, A. Cool, een notitie op tafel gelegd waarin hij aandrong op een verdere samenwerking. De christelijke vakbeweging op Europees niveau moest ook versterkt worden, maar structurele samenwerking was noodzakelijk om voldoende invloed te kunnen hebben. Ofschoon hij een pleitbezorger van vakbondspluralisme was, mocht dat geen doel op zich worden. De conclusies van dit rapport werden breed onderschreven. Voor een nadere uitwerking werd een commissie in het leven geroepen onder leiding van de Nederlandse NKV-er J.A.A. Alders, vice-voorzitter van de EO/ICV. Dit rapport ging echter minder ver in de samenwerkingsgedachte, omdat het vakbondspluralisme volgens de aangesloten organisaties een zwaarder accent moest krijgen dan Cool in 1966 als voorzitter had bepleit.

Bij het IVVV waren de bakens ondertussen ook verzet. De Europese Regionale Organisatie van het IVVV, waar alleen de vakorganisaties uit de EEG-lidstaten bij waren aangesloten, hadden positief gereageerd op de uitlatingen van Cool. De samenwerkingservaringen met de EO/ICV waren wisselend. Binnen het ESC ging het goed, maar ze waren er nog niet in geslaagd om een gezamenlijk Europees actieprogramma op te stellen. Wel was tijdens een gemeenschappelijk colloquium in 1969 een gezamenlijk memorandum aangenomen, waarin ze zich voorstander van de Europese integratie betoonden. In 1969 besloten de lidorganisaties van de ERO/IVVV om de ERO om te vormen naar een autonome organisatie, los van het IVVV. Deze organisatie werd het EVVV. Tijdens het oprichtingscongres werd de EO/WVA uitgenodigd tot meer structurele samenwerking.

Nu lag de bal weer bij de EO/WVA. De aangesloten organisaties besloten deze handschoen op te pakken. Het bestuur werd opdracht gegeven om contact te zoeken met het EVVV. Ondertussen moest het EO/WVA zichzelf ook gaan versterken. De stap die binnen het IVVV had plaats gevonden, zou door het WVA gecopieerd moeten worden: de oprichting van een echt Europees verbond van WVA-vakorganisaties. Daarmee zou de EO/WVA een steviger positie ten opzichte van het EVVV krijgen.[94]

 

Het contact tussen de voorzitters van beide Europese organisaties, A. Cool en A. Kloos, leidde tot een eerste topontmoeting in april 1970. Het EVVV had een voorstel op tafel gelegd om te komen tot een samensmelting van beide secretariaten. Belangrijkste motivering was dat hierdoor een gemeenschappelijk optreden gewaarborgd zou zijn. Door delegaties van beide organisaties werden deze plannen in mei 1970 besproken. De CNV-vertegenwoordiger in dat overleg, beleidsmedewerker G. Gerritse, was het niet met deze optie eens. Hij was een voorstander van onafhankelijke secretariaten. Het verbondsbestuur van het CNV volgde zijn advies.[95]

In een vervolgadvies beargumenteerde Gerritse zijn bezwaren. Hij vreesde dat hierdoor de relatie tussen de Europese organisatie en de mondiale organisatie zou worden afgebroken. Daar was hij op tegen. Bij een fusie, waardoor het EO/WVA-secretariaat op zou gaan in het nieuw te vormen secretariaat zou er geen weg terug meer bestaan. tot slot wees hij op de verschillen in de leden van beide organisaties. Bij het WVA waren alle Europese organisaties aangesloten, bij het IVVV alleen de organisaties in de zes EEG-lidstaten. Dat zou op problemen gaan stuiten volgens Gerritse. Om te komen tot een zogeheten intersyndicaal comité ontmoette bij hem geen principiële bezwaren, mits de volledige besturen van beide regionale organisaties deel uit zouden maken van dit comité en de het als een overlegplatform zou worden gebruikt.[96] Dit standpunt zou het verbondsbestuur meenemen naar de bestuursvergadering van de EO/WVA.

Ter voorbereiding daarop werden de plannen nog verder uitgewerkt. In die voorbereidingsnotitie was de Commissie Internationale Zaken van het CNV nog explicieter in zijn eisen. De invloed van beide organisaties in het syndicaal comité moest gelijk zijn. Ook in het secretariaat van dit comité moesten vertegenwoordigers van beide organisaties aanwezig zijn. De taken waren beperkt: het mocht niet meer zijn dan een brievenbus, gespreksforum en coördinatiepunt. In geval er geen overeenstemming binnen het comité mogelijk zou zijn, zou iedere organisatie zijn eigen standpunt naar buiten mogen uitdragen. Op een terrein accepteerde het CNV wel een verschil tussen het IVVV en het WVA: het IVVV zou tweederde van de kosten voor zijn rekening moeten nemen en het WVA eenderde.[97]

Deze gedachten verschilden in belangrijke mate van de voorbereidingsnotitie van Jan Kulakowski. Hij wilde een fusie van beide secretariaten die onafhankelijk van IVVV en WVA moesten komen te staan. Binnen dat nieuwe secretariaat moest een algemeen secretaris van IVVV-huize komen en een adjunct van de zijde van het WVA. De leden en de kosten van het secretariaat zouden voor tweederde voor rekening van IVVV-organisaties moeten komen en eenderde bij de WVA-organisaties. Het secretariaat zou de stukken moeten voorbereiden voor een paritair samengesteld comité, die uiteindelijk de besluiten zouden nemen. Mocht er geen overeenstemming binnen het comité bestaan, dan zou er eerst overlegd moeten worden in eigen IVVV-  of WVA-kring. Mocht er dan nog geen overeenstemming zijn, dan zou een stemming de besluitvorming moeten forceren. Hij had ook nagedacht over de gevolgen voor de EO/WVA. Deze moest wat hem betreft blijven voortbestaan, als organisatie voor de nationale organisaties en de vakinternationales. Er was volgens hem nog voldoende werk voor een secretaris generaal, met vier à vijf medewerkers. Ook de adjunct van het nieuwe gefuseerde secretariaat zou de functie van secretaris bij de EO/WVA moeten behouden.[98] Al met al deelde het CNV de opvattingen van Kulakowski niet.

Het CNV kreeg steun van de nieuwe ACV-voorzitter J. Houthuys. Ook hij vond de gedachte van een gemeenschappelijk secretariaat te ver gaan. Daarom werd het EVVV het voorstel gedaan om te komen tot een meer gestructureerde en gecoördineerde samenwerking. Mocht deze samenwerking goed gaan, dan werd de oprichting van een gemeenschappelijk secretariaat niet afgewezen, maar het werd nu nog te vroeg geacht. Op basis van deze conclusies werd contact gezocht tussen de beide voorzitters en algemeen secretarissen. Ze besloten om een gemeenschappelijke vergadering van afgevaardigden van beide besturen te organiseren om zo alle problemen en mogelijkheden door te nemen. Het duurde echter tot februari 1972 voordat deze bijeenkomst zou plaats vinden.[99] Binnen het EVVV moesten ook nog enkele knopen doorgehakt worden voordat de gesprekken met de EO/WVA konden starten.

 

Binnen of buiten het IVVV?

 

Binnen het IVVV bestond behoefte aan een betere coördinatie van het beleid van de nationale vakorganisaties op het Europese terrein. Daartoe was de ERO-IVVV in 1969 omgevormd naar het EVVV, het Europees Verbond van Vrije Vakverenigingen. Hierbij waren uitsluitend de IVVV-vakorganisaties uit de EEG-lidstaten aangesloten. Daarnaast bestond er een samenwerkingsverband van de vakorganisaties binnen de EFTA. Deze organisatie heette de EFTA-TUC en was in 1968 opgericht.

De aard van de samenwerking binnen de EFTA was anders dan binnen de EEG. Bij de laatste was niet alleen sprake van een vrijhandelszone, maar was de mate van integratie veel verder voortgeschreden. De douane-unie was al in 1967 gerealiseerd, er was een gemeenschappelijk landbouwbeleid ontwikkeld en ook op andere sectoren binnen de economie werd gestreefd naar verdere integratie. Het uiteindelijke doel was een gemeenschappelijke markt. Sommigen sloten zelfs een economisch en monetaire unie niet, gezien het plan Werner dat in 1970 (?) werd gelanceerd. De EFTA bleef beperkt tot een vrijhandelsassociatie.

De samenwerking tussen de lidstaten binnen de EFTA en de EEG beïnvloedde de werkzaamheden van de Europese en nationale vakorganisaties. De opvattingen van de TUC over de Europese integratie verschilden fors van de opvattingen van NVV en DGB. De eerste was geen voorstander van de EEG en voerde zelfs actie tegen de toetreding. Ze vreesden voor een te hoge bijdrage aan de EEG, waar ze te weinig voor terug zouden krijgen. DGB en FNV, trouwens alle lidorganisaties van de EVVV, waren een verklaard voorstander van de Europese integratie.

In november 1971 kwamen de IVVV-vakorganisaties uit EFTA en EEG-landen bij elkaar in Oslo. Daar werd gesproken over de toekomst van de vakbeweging in het licht van de Europese integratie. De toenemende Europese economische en technologische samenwerking had gevolgen voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Daarom was het noodzakelijk dat de vakbeweging invloed uitoefende op het Europese beleid en ook zou zorgen voor een Europese sociale agenda. Verder werd gewezen op de toenemende invloed van multinationale ondernemingen in West-Europa. Om de belangen van de werknemers moesten de vakorganisaties nauwer gaan samenwerken. De conferentie besloot tot het oprichten van een werkgroep die met concrete voorstellen moest komen over de structuur en de doelstellingen van een nauwere samenwerking.

De werkzaamheden van deze werkgroep werden ernstig belemmerd door de afwijkende houding van de Britse TUC, die zich openlijk een tegenstander verklaarde van de gemeenschappelijke markt. Keer op keer werden tijdens de jaarlijkse TUC-congressen anti-EEG resoluties aangenomen. Om die reden bepleitte de TUC een nieuwe organisatie, die niet beperkt bleef tot de vakorganisaties in de EEG-lidstaten, maar open zou staan voor alle Europese IVVV-organisaties. De Scandinavische organisaties ondersteunden de TUC hierin. Deze mening werd niet gedeeld door de EVVV-organisaties. DGB en FO wilden een Europese vakorganisatie, die alleen open stond voor vakorganisaties uit EEG-lidstaten. het EVVV-secretariaat was deze mening ook toegedaan. Hun grootste angst was dat een geografische expansie zou leiden tot een ideologische expansie. Dat zou de samenhang binnen de nieuwe organisatie niet vergroten.

Naast deze discussie werd ook strijd geleverd over het werkgebied van de nieuwe organisatie. Moest ze zich beperken tot de EEG en zijn gemeenschappelijke markt of zou het werkterrein groter moeten zijn, zoals de internationale handel? Daarmee lag een andere vraag op tafel: welke zou de relatie met het IVVV moeten zijn? Zou ze onafhankelijk moeten staan van het IVVV of juist niet? Sommigen vreesden dat een sterke Europese organisatie negatieve gevolgen voor de mondiale organisatie zou hebben. Anderen beargumenteerden juist het tegenovergestelde. Een sterke Europese organisatie was noodzakelijk om een goede belangenbehartiging voor hun leden te garanderen. Uiteindelijk bleek deze vraag niet het grootste struikelblok te zijn.

Wel het vraagstuk van de omvang van de nieuwe organisatie. Moest deze open staan voor vakorganisaties uit alleen EEG-landen of uit heel West-Europa? Mochten ook anderen dan IVVV-organisaties toetreden tot de nieuwe organisatie?

Bij de geografische omvang van de nieuwe organisatie stonden de DGB aan de ene kant en de TUC en Scandinavische organisaties aan de andere kant lijnrecht tegenover elkaar. De DGB was bereid om te komen tot een waarnemersstatus voor de vakorganisaties uit niet EEG-landen, maar dat was onaanvaardbaar voor de Scandinaviers en Britten. Ze dreigde niet toe te treden  tot de nieuwe organisatie als ze niet open stond voor IVVV-organisaties uit alle West-Europese landen. Onder deze druk bezweek de DGB eind 1972. De nieuwe organisatie zou open staan voor IVVV-organisaties uit alle West-Europese landen.[100]

Ondertussen waren sinds februari 1972 gesprekken gevoerd met de EO/WVA over een mogelijk samengaan van beide Europese organisaties.

 

 

Wel of geen toekomst voor een Europese organisatie van het WVA?

 

Ter voorbereiding op die bijeenkomst had een werkgroep onder leiding van J. Alders en H. van Eekert een notitie geschreven. Hun analyse was nogal somber. In de eerste plaats werd de eenheid binnen de EO/WVA betwijfeld. Ze deelden de lidorganisaties in drie categorieën in. Een groep die het kapitalistische systeem aanvaardde en alleen de werknemersbelangen daarin wilden verdedigen. Vooral de Duitstalige organisaties zoals OGB, CGB en CNG waren deze mening toegedaan. Een tweede groep wilde juist het kapitalistische systeem veranderen in een socialistisch stelsel. Voorbeelden hiervan waren de CFDT en de ACLI. En tot slot een groep die een middenpositie innam. Deze wilden een structuurwijziging van het huidige stelsel, maar wisten nog niet precies welke kant het op zou moeten gaan. De Benelux-organisaties behoorden tot deze groep. Al met al meenden de rapporteurs dat de betekenis van het christelijk geloof voor veel WVA-organisaties aan het afnemen was. In ieder geval was er geen meerderheid meer binnen het WVA die een voorstander was van een confessionele opvatting. Iedereen gebruikte het christelijk geloof wel als een bron, maar geeft daar op zijn eigen wijze uitdrukking aan. De kansen voor een versterking van de EO/WVA waren er niet, mede veroorzaakt door een gebrekkige kennis van de categorale organisaties binnen Europa. Indien de EO/WVA nog een rol van betekenis wilde spelen, moest de contributie vertienvoudigd worden. Dat was ondoenlijk. Daarom was een fusie met het EVVV een onvermijdelijke zaak.[101] Gerritse deelde de mening van de rapporteurs niet. Het rapport gaf de opvattingen van de meerderheid van de lidorganisaties van hem. Hij had gehoopt op een stevig rapport, waarin een duidelijke visie was neergelegd. Een soort visieprogram, zoals het CNV dat nu ook had. Volgens hem hadden de rapporteurs maar een doel: aansluiting bij het EVVV. Daar was de notitie naar toegeschreven. Door deze notitie werd de EO/WVA naar de slachtbank geleid van een fusie en een einde aan een zelfstandig voortbestaan.[102]

Het CNV wilde het liefst een vorm van samenwerking op Europees niveau analoog aan de nationale samenwerking in het Overlegorgaan.[103] Om dat doel te bereiken had Gerritse een notitie voor de Verbondsraad geschreven, waarin hij diverse opties de revue liet passeren. De eerste optie was dat de ontmoeting tussen EVVV en EO/WVA begin februari een grote mislukking zou worden. De gevolgen daarvan zouden negatief uitvallen voor de EO/WVA. Er zou forse tegenwerking komen van het EVVV en de CFDT en NKV zouden direct aansluiting zoeken bij het EVVV en de EO/WVA verlaten. Trouwens, van deze organisaties was geen enkele steun meer te verwachten voor een voortbestaan van een zelfstandig EO/WVA. De tweede optie was een fusie tussen EVVV en EO/WVA, maar die gedachte werd door Gerriste direct verworpen, omdat de ACLI en de CGB dan niet mee mochten naar de nieuwe organisatie. Zijn inschatting was dat de EO/WVA ze niet zou laten vallen. Een derde optie was een federatie. Maar ook die optie schreef Gerritse af, omdat een succesvolle federatie alleen mogelijk was bij gelijkwaardige partners en dat was nu niet het geval. De vierde optie was een niet al te strak gereglementeerde organisatie, waar de diverse stromingen onderdak zouden kunnen vinden. De nagestreefde samenwerking en efficiency zouden dan makkelijk gerealiseerd kunnen worden. Dit was volgens hem de beste oplossing en sloot het beste aan bij de ervaringen van het CNV in het Overlegorgaan.[104]

 

Het was duidelijk dat de meningen binnen de WVA-delegatie nog niet helemaal gelijk liepen. Om een goede inbreng in de discussie met het EVVV te hebben werd er voor gekozen om eerst als EO/WVA een vooroverleg te hebben. Daar kwamen de verschillen van mening helder aan het licht. Kulakowski deed verslag van een vooroverleg tussen de beide secretariaten dat kort daarvoor had plaats gevonden. Volgens hem waren er twee scenario’s: of een overkoe­pelend lichaam voor de beide Europese organisaties of een nieuwe Europese confederatie. Zijn indruk was dat NVV en NKV beiden voorstander van het laatste waren. De voorzitter van de EO/WVA Cool zag echter drie scenario’s:

-           goede, maar geen georganiseerde samenwerking;

-           georganiseerde samenwerking met fusie van de secretaria­ten;

-           nieuwe Europese confederatie met aansluitingsvrijheid op wereldvlak.

Tijdens de vergadering werd duidelijk dat de CFDT voor het laatste scenario koos. CNV, NKV en LCGB sloten zich hierbij aan. ACV-voorzitter J. Houthuys opteerde voor een gestructureerde samenwerking tussen de organisaties met een gezamenlijk secretariaat. Cool concludeerde daarop dat iedereen het er mee eens was dat de status quo niet ge­handhaafd kon blijven. Er moest een vorm van gestructureerde samenwerking tussen EVVV en EO/WVA komen. Binnen de EO/WVA was er overeenstemming over de omvang van de organisatie. Die moest verder gaan dan de tien landen die lid zouden kunnen worden van de EEG.[105] Er was verdeeldheid over de vorm van de samenwerking. Het ACV koos de tweede optie, terwijl de rest voor de derde optie koos. De vraag waar de vergadering niet uit kwam was of het EVVV eerst een akkoord zou willen sluiten met de EO/WVA dan wel eerst de problemen met de EFTA-TUC zou willen oplossen. Het tegelijkertijd oplossen van beide problemen zou onmogelijk zijn. Iedereen ging akkoord, behalve Houthuys. Hij wilde alleen een gestructu­reerde samenwerking. Een confederatie zou dan nog wel tot de mogelijkheden behoren.[106]

Daarna volgden de besprekingen tussen beide delegaties. Cool zat de vergadering voor, terwijl  Ter Heide als rapporteur optrad. Ter Heide legde inleidend de belangrijkste vragen op tafel: moest voortgegaan worden met de bestaande vormen van samenwerking of was intensievere samenwerking noodzakelijk? Van de zijde van de EO/WVA-organisaties werd aangegeven dat er een bereidheid bestond tot verdergaande samenwerking. Zo stelde Alders dat hij geen grote verschillen op Europees terrein had kunnen constate­ren. Hij vroeg zich hardop af of de vakorganisaties zich nog wel de weelde van een verdeeld front tegenover werkgevers kunnen veroorloven. Zijn ideaal was een organisatie van alle democratische vakorganisaties in Europa. Deze mening sloot in belangrijke mate aan bij de opvattingen van de Duitse DGB-voorzitter Vetter. Hij zag evenmin onoverkomelijke verschillen tussen de christelijke en sociaal-democratische organisaties. Op basis van deze opvattingen kon Ter Heide trok na een eerste ronde makkelijk conclusies trekken. Er was behoefte aan intensievere samenwerking en ook was er overeenstemming over de omvang van de organisatie. Ook organisaties uit niet EEG-landen zouden moeten kunnen toetreden. Wel resteerde nog het punt van de aard van de samenwerking: een eenheidsorga­nisatie, zoals Vetter die voorstelde of een Europese discussiebijeenkomst zoals G. Debunne van de Belgische ABVV had voorgesteld. Na een schorsing voor intern beraad kwam Vetter met een voorstel namens de EVVV-organisaties: er moest een nieuwe organisatie komen, die een uitgesproken voorstander van Europese integratie zou zijn, gedragen door de nationale lidorganisaties. De voorstellen van Cool sloten daar op aan. Hij wilde komen tot een confedera­tie op Europees vlak, die open moest staan voor alle democrati­sche vakorganisaties van Europa. Deze confederatie zou zich niet aansluiten bij een mondiale organisatie plaats, terwijl de nationale organisaties vrij bleven in hun keuze voor een mondiale organisatie. Dit klonk Vetter positief in de oren. Wel gaf hij te kennen dat het EVVV nu eerst de gesprekken met de Engelsen en de Scandinaviers wilden afronden. Er kon niet op twee plaatsen tegelijkertijd onderhandeld worden. Na interne raadpleging zouden verdere gesprekken volgen.[107]

 Bij de terugkoppeling naar de Verbondsraad verklaarde Lanser zich openlijk een voorstander van de confederatie op Europees niveau. Een federatie zag hij niet zitten: daarmee zou de invloed van het WVA veel te marginaal worden. Een confederatie had wat hem betreft meerdere voordelen: de invloed van het WVA op de Europese ontwikkelingen was groter dan nu. Verder kon beter over de positie van de vakinternationales worden onderhandeld. De Verbondsraad volgde Lanser aarzelend. Er moest aan een paar voorwaarden worden voldaan, alvorens het CNV zou kunnen instemmen. Er moest een Europese confederatie komen, waar alle democratische vakorganisaties zich bij zouden kunnen aansluiten. Deze confederatie mocht niet aangesloten zijn bij een mondiale organisatie en iedere nationale organisatie moest vrij blijven in zijn keuze voor een mondiale organisatie. Over de mogelijke aansluiting van communistische organisaties moest nog gesproken worden.[108]

De EO/WVA had in mei 1972 zijn congres in Luxemburg. Daar werd teruggeblikt op de gebeurtenissen van het afgelopen jaar. Daarin speelde het groeiende ongenoegen bij EVVV-organisaties over de rol van het WVA een rol. Het WVA had met het WVV in februari 1972 vergaderd over een strategie om er voor te zorgen dat het aantal zetels van het IVVV in de Raad van Beheer van de ILO verkleind zou worden ten gunste van het WVA en het WVV. Dat was tegen het zere been van diverse IVVV-organisaties. Het vertrouwen in het WVA had een knauw gekregen, een van de oorzaken van een stroever verloop van de onderhandelingen.[109] Daarnaast staken enkele nationale tegenstellingen de kop op, die een spoedige overeenstemming in de weg stonden. Zo was de verhouding tussen de Franse FO en CFDT vertroebeld, de DGB accepteerde absoluut niet de CGB en de Belgische ABVV vreesde voor zijn positie in de nieuwe Europese organisatie als de grootste Belgische vakorganisatie ook in deze organisatie zou gaan optreden.[110] Ondanks deze problemen bleef de EO/WVA zich uitspreken voor een Europese confederatie met het EVVV. Een resolutie, waarin de Europese eenheid werd benadrukt kon niet de goedkeuring van Hordijk, de internationaal secretaris, verdragen. Hij vond dat te sterk. Voor hem was de verbondenheid met de rest van het WVA belangrijker dan de totstandkoming van de nieuwe Europese confederatie. Het verbondsbestuur was een iets andere mening toegedaan. Het meende dat de gesprekken met het EVVV op zo constructief mogelijke wijze voortgezet moesten worden. Daartoe zou binnen de EO/WVA een werkgroep in het leven geroepen moeten worden ten einde een constructieve koers uit te zetten.[111]

Er brak een periode van onzekerheid aan. Binnen het IVVV woedde een heftige discussie over de verhouding tussen de nieuwe Europese organisatie en het IVVV. Wilde het EVVV nog wel samenwerken met de EO/WVA? Waar werd een grotere prioriteit aan gegeven: samenwerking met de EFTA-TUC of met de EO/WVA? Tijdens het IVVV-congres van Londen kwamen twee stromingen aan de oppervlakte. De ene wilde een Europese organisatie, die alleen open stond voor IVVV-organisaties, zoals de Franse FO wilde, de andere stroming wilde juist een autonome Europese confederatie. Ter Heide wilde deze open stellen voor EO/WVA-organisaties, terwijl anderen ook de CGT en CGIL op gelijkwaardige positie plaatsten. Over de definitieve omvang van de organisatie werd nog geen besluit genomen, wel over de oprichting van het EVV: november 1972. Dat ontlokte CNV-secretaris L. de Graaf de verzuchting dat het EVVV de EO/WVA niet serieus nam. Een oprichtingsdatum vast leggen en ondertussen de onderhandelingen met de EO/WVA nog niet serieus laten starten. Maar Hordijk suste de gemoederen: de oprichtingsdatum was met de EO/WVA vastgesteld.[112]

Maar enkele weken moest ook hij rapporteren dat het onzeker was hoe het EVVV nu met de EO/WVA wilde omgaan. Er werd al nagedacht over scenario’s waarin de EO/WVA zelfstandig verder moest gaan. Houthuys zou in ieder geval de voorzittershamer van Cool overnemen.[113] Tijdens een ontmoeting tussen WVA en IVVV in oktober 1972 werd nog eens de wil van het WVA om te komen tot Europese eenheid duidelijk uitgesproken. Maar het wil geen diktaat van het IVVV opgelegd krijgen. Bij de Duitsers bestond er onbegrip over deze wil. Waarom wel Europese eenheid en geen eenheid op mondiaal en nationaal niveau? De NKV-secretaris gaf daarna enige uitleg over de Nederlandse samenwerkingsplannen, waarop er meer begrip voor de opvattingen van het WVA gingen ontstaan. Het IVVV kon op dat moment geen verdere concrete toezeggingen doen, omdat het intern nog verdeeld was over zijn eigen plannen voor een Europese organisatie.[114]

 

De geplande datum van november 1972 als oprichtingsdatum werd niet gehaald. Deze datum werd twee maanden naar achter geschoven: 7 en 8 februari 1972 zou de oprichting plaats vinden. een week of drie voor die gebeurtenis kwam het dagelijks bestuur van de EO/WVA bijeen. Het was nu helder geworden dat de EO/WVA niet betrokken zou zijn bij de oprichting van het EVV. Het gevolg was dat de gelijkwaardige onderhandelingspositie verloren was gegaan. Er stonden nu twee mogelijkheden open: samenwerking tussen EVV en EO/WVA of de aansluiting van de nationale vakorganisaties bij het EVV, waarbij de EO/WVA een fractie zou kunnen blijven. Het dagelijks bestuur besloot tot de laatste optie aan het bestuur van de EO/WVA te adviseren. Alleen de Zwitsers waren tegen dit advies.[115]

Dit advies werd overgenomen door het bestuur van de EO/WVA. Een kleine werkgroep moest de onderhandelingen gaan voeren met het EVV. Van Hout, Kulakovski, Salanne (CFDT) en Houthuys vormden deze onderhandelingsdelegatie. Als boodschap werd meegegeven om een goede relatie te regelen tussen WVA en EVV, de problemen van enkele nationale vakbonden en de positie van de vakinternationales.[116]

De eerste onderhandelingsronde verliep moeizaam. Vooral de positie van de ACLI en de CGB maakten het er niet makkelijker op. Daarnaast was er wrevel bij Debunne, die de vicevoorzitter van het EVV was. Bij toetreding van het ACV tot het EVV zou hij zijn vice-voorzitterschap kwijt raken. Tot slot was er onenigheid over de positie van de vakinternationales. Zouden WVA en IVVV-vakinternationales mogen toetreden?[117]

In de volgende onderhandelingsronde werd bepaald dat er niet twee vakinternationales, actief in dezelfde sector, aangesloten konden zijn bij het EVV. Daarover ontstond binnen de EO/WVA rumoer, vooral onder de vakinternationales. Ze voelden zich achtergesteld tegenover de IVVV-vakinternationales. He DB van de EO/WVA verdedigde zich door te stellen dat ze binnen het mandaat van maart 1973. De onenigheid over ACLI en CGB bleef voortbestaan, waarbij de CGB nog niet duidelijk had gemaakt of het een lidmaatschapsaanvraag bij het EVV zou indienen. Daarmee zou de EO/WVA een lastige keuze ontlopen. De EO/WVA zou geen formele positie binnen het EVV krijgen. Binnen het WVA zou het nog wel mogen coördineren.[118]

In november 1973 kwam informeel het groene licht voor toetreding van het ACV, CFDT, LCGB, ELA-STV (Baskische vakbond), NKV, CNV en CNG. De CGB had geen aanvraag ingediend. De ACLI en de organisaties uit Malta en Cyprus zouden later aan de orde worden gesteld. Er was echter nog één struikelblok: de verhouding tussen EVV en WVA. De vertrouwensband was niet groot, waarbij persoonlijke elementen een rol speelden. Dat zou een definitieve toetreding nog kunnen weerhouden. Een formeel besluit zou het EVV nemen tijdens een bestuursvergadering in maart/april 1974.[119]

De verhouding tussen IVVV en WVA bleek inderdaad een struikelblok te zijn. De IVVV-organisaties wilden eerst toezeggingen ontvangen omtrent de wil tot samenwerking op mondiaal niveau, alvorens positief te beschikken over de lidmaatschapsaanvraag van de WVA-organisaties. Deze bereidheid werd afgegeven in het voorjaar van 1974, waarna de toetreding tot het EVV kon plaats vinden. Daarvoor was wel een hoge prijs betaald. De EO/WVA zou alleen nog een interne WVA-rol kunnen spelen, terwijl ze als EO/WVA had willen toetreden.CGB, ACLI waren niet toegelaten. Over de organisaties uit Malta en Cyprus zou nog gesproken worden. En de positie van de vakinternationales morden de WVA-vakinternationales. Tot slot hadden de IVVV-organisaties nog een bereidheid tot samenwerkingsonderhandelingen op mondiaal niveau van het WVA afgedwongen. Van deze onderhandelingen kwam helemaal niets terecht. In 1976 werd door het WVA uiteindelijk de stekker uit de onderhandelingen getrokken.

 

Conclusie

 

De samenwerking tussen het IVVV en het WVA was vanaf de Tweede Wereldoorlog moeizaam. Soms ging de samenwerking iets beter om korte tijd later te melden dat er weer problemen waren. De ongelijke omvang maakte dat het IVVV vaak haar machtspositie gebruikte dat wrevel wekte bij de WVA-organisaties. Aan de andere kant was het WVA niet altijd het toonbeeld van eensgezindheid en doortastendheid, waardoor het een makkelijke prooi werd van de strategie van de IVVV-organisaties. Toch werd uiteindelijk een Europese eenheidsorganisatie opgericht. Waarom lukte het daar wel en op mondiaal en nationaal niveau, zoals bijvoorbeeld in Italie en Nederland niet?

In de eerste plaats waren de uitgangsposities anders. In Nederland was het NVV weliswaar groter dat NKV en CNV, maar daar kon gesproken worden van fusiebesprekingen, terwijl op het Europese niveau eerder van een overname dan van een fusie gerept zou moeten worden. Dat heeft de onderhandelingen vergemakkelijkt.

In de tweede plaats werd een nieuwe Europese organisatie opgericht. Er waren nog geen verworven rechten opgebouwd binnen deze organisatie, voordat de WVA-organisaties toetraden. Weinigen hoefden pijn te lijden als gevolg van de toetreding. Dat vergemakkelijkte het proces. Ook het feit dat het werkterrein relatief nieuw was, de Europese sociale agenda was pas sinds het begin van de jaren zeventig op de Europese agenda geplaatst, zal een versoepeling hebben betekend

In de derde plaats kon het WVA weinig eisen meer stellen. Het was alom bekend dat bij het falen van de onderhandelingen, sommige organisatie het WVA wilden verlaten en zelfstandig wilden toetreden tot het EVV. Dat verzwakte de onderhandelingspositie van de EO/WVA verder.

Tot slot moet het tijdstip in het oog worden genomen. Aan het begin van de jaren zeventig was binnen katholieke organisaties een tendens naar het afschudden van de ideologische veren kenbaar. In plaats daarvan trad het personalisme en humanisme naar voren. Deze ontwikkeling deed de huiver bij diverse sociaal-democratische organisaties voor de christelijke vakbeweging afnemen.

 

 


[1] Zie voor een nadere uitleg over het Marshallplan: P. van der Eng, De Marshallhulp. Een perspectief voor Nederland 1947-1953 (Houten 1987) en F. Inklaar, Van Amerika geleerd. Marshall-hulp en keenisimport in Nederland (Den Haag 1997).

[2] E. Hueting, Fr. De Jong Edz em R. de Ney, Naar groter eenheid. De geschiedenis van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen 1906-1981 (Amsterdam 1983), 219-224

[3] Notulen DB-CNV, 1 mei 1950.

[4] Notulen DB-CNV, 30 oktober 1950.

[5] Notulen DB-CNV, 6 november 1950.

[6] Notulen DB-CNV, 27 november 1950.

[7] Notulen VB-CNV, 27 juli 1953.

[8] Notulen VB-CNV, 24 augustus 1953.

[9] B. Boel, The European Productivity Agency and Transatlantic Relations, 1953-1961, 155. OPZOEKEN: P. Pasturen in Journal of European Integration History 1995-5-26.

[10] Notulen VN-CNV, 9 november 1953.

[11] Notulen VB-CNV, 23 november 1953.

[12] Notulen VB-CNV, 8 februari 1954.

[13] J. Hermans, Uitgerekend Europa. Geschiedenis van de Europese integratie (Amsterdam 2000), 63-74.

[14] Notulen DB-CNV, 9 januari 1951.

[15] CNV, 25e Verslag 1952-1953, 574.

[16] Notulen VB-CNV, 8 september 1952.

[17] Notulen VB-CNV, 8 december 1952 en Notulen  VR-CNV, 10 december 1952.

[18] Notulen VB-CNV, 5 januari 1953.

[19] CNV, 26e Verslag 1954-1955, 360.

[20] Notulen VB-CNV, 1 november 1954.

[21] Notulen VB-CNV, 13 december 1954.

[22] CNV, 26e Verslag 1954-1955, 360.

[23] Notulen VR-CNV, 20 december 1954.

[24] Notulen VB-CNV, 10 januari 1955

[25] Notulen VB-CNV, 31 januari 1955.

[26] Notulen VR-CNV, 21 februari 1955.

[27] Notulen VB-CNV, 21 november 1955.

[28] Notulen VB-CNV, 23 januari 1956.

[29] Notulen VB-CNV, 3 en 24 november 1958.

[30] Notulen DB-CNV, 2 en 9 januari 1951.

[31] Notulen DB-CNV, 29 januari 1951.

[32] Notulen VB-CNV, 26 mei 1952.

[33] J.J.C. Sprenger, ‘P.J.S. Serrarens’, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 3, (Amsterdam 1988), 188-191.

[34] Notulen VB-CNV, 26 mei 1952.

[35] F. Duchêne, Jean Monnet. The First Statesman of Interdependence (New York 1994), 196.

[36] W.H. Weenink, Bankier van de wereld. Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976 (Amsterdam/Rotterdam 2005), 300-312.

[37] W.H. Weenink, Bankier van de wereld. Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976 (Amsterdam/Rotterdam 2005), 320.

[38] J.W.Beyen, Het spel en de knikkers .Een kroniek van vijftig jaren (Rotterdam 1968), 227-229.

[39] Notulen VB-CNV, 4 mei 1953.

[40] J. Hermans, Uitgerekend Europa. Geschiedenis van de Europese integratie (Amsterdam 2000), 88.

[41] J. Hermans, Uitgerekend Europa. Geschiedenis van de Europese integratie (Amsterdam 2000), 96-102. Zie ook: R.T. Griffiths, The Netherlands and the Integration of Europe 1947-1957 (Amsterdam 1990).

[42] Notulen VB-CNV, 17 december 1956.

[43] Notulen VB-CNV,  18 februari 1957.

[44] Notulen VB-CNV, 11 november 1957.

[45] B. Barnouin, The European Labour Movement and European Integration (Oxford 1986), 8

[46] Notulen VB-CNV, 20 januari 1958.

[47] Notulen VR-CNV, 17 februari 1958.

[48] Notulen VB-CNV, 24 februari 1958.

[49] Notulen VB-CNV, 10 maart 1958.

[50] Notulen VB-CNV, 17 februari 1958.

[51] Notulen VR-CNV, 10 april 1958.

[52] Notulen VB-CNV, 1 december 1958.

[53] Notulen VB-CNV, 12 mei 1958.

[54] Notulen VB-CNV, 27 mei 1958.

[55] Notulen VR-CNV, 19 januari 1953.

[56] Notulen VB-CNV, 9 februari 1953.

[57] Notulen VB-CNV, 16 maart 1953.

[58] Notulen VR-CNV, 16 november 1953.

[59] Notulen VR-CNV, 18 januari 1994.

[60] Notulen VB-CNV, 25 januari 1954.

[61] Notulen VB-CNV, 1 maart 1954.

[62] Notulen VR-CNV, 20 april 1954.

[63] Notulen VR-CNV, 18 oktober 1954.

[64] Notulen VR-CNV, 21 oktober 1957.

[65] Vakinternationales zijn internationale organisaties van vakbonden, zoals de metaal of de dienstensector. Vakinternationales en nationale vakcentrales vormen samen de internationale confederaties.

[66] Notulen VR-CNV, 17 februari 1958.

[67] Notulen VR-CNV, 17 maart 1958.

[68] Notulen VB-CNV, 3 april 1958.

[69] Notulen VB-CNV, 9 juni 1958.

[70] Notulen VB-CNV, 16 maart en 26 april 1959.

[71] Notulen VB-CNV, 10 april 1961.

[72] Notulen VB-CNV, 18 januari 1965.

[73] M. Jansen en J.K. de Vree, The ordeal of unity. The politics of European integration (Bilthoven 1985),287-289.

[74] Notulen VB-CNV, 18 april 1966.

[75] B. Barnouin, The European labour movement and european integration (Oxford 1986), 8.

[76] Notulen VB-CNV, 4 juli 1966.

[77] Notulen VB-CNV, 4 december 1967.

[78] Notulen VB-CNV, 12 februari 1968.

[79] Notulen VB-CNV, 7 oktober 1968

[80] Notulen VB-CNV, 4 november 1968.

[81] Notulen VB-CNV, 6 november 1961.

[82] Notulen VB-CNV, 4 december 1961.

[83] Notulen VB-CNV, 21 januari 1963.

[84] M. Jansen en J.K. de Vrre, The ordeal of unity. The politics of European integration (Bilthoven 1985), 193-199.

[85] P. Pasture, christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (amersfoort/Leuven 1993), 20,21.

[86] Notulen VB-CNV, 9 november 1964.

[87] Notulen VB-CNV, 23 november 1964

[88] Notulen VR, 15 maart 1965.

[89] P. Pasture, Christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (Amersfoort/Leuven 1993), 96.

[90] Notulen VR-CNV, 18 oktober 1965.

[91] Notulen VB-CNV, 15 november 1965.

[92] P. Pasture, Christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (Amersfoort/Leuven 1993), 96

[93] Notulen VB-CNV, 9 maart 1970.

[94] P. Pasture, , Christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (Amersfoort/Leuven 1993), 104-106

[95] Notulen VB-CNV, 19 mei 1970.

[96] Notulen VB-CNV, 6 juli 1970.

[97] Notulen VB-CNV, 14 september 1970.

[98] Notulen VR-CNV, 21 september 1970.

[99] P. Pasture, , Christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (Amersfoort/Leuven 1993), 107.

[100] B. Barnouin, The European Labouw movement and the European integration (Oxford 1986), 12-19.

[101] Notulen VB-CNV, 3 januari 1972. Zie ook P. Pasture, Christelijk syndicalisme in Europa na 1968. Spanningen tussen identiteit en praktijk (Amersfoort/Leuven 1993), 108,109.

[102] Notulen VB-CNV, 3 januari 1972.

[103] Zie voor de geschiedenis van deze samenwerking: J.J. van Dijk, ‘de samenwerking tussen de vakcentrales na 1958’, in: 90 jaar CNV; mensen en uitgangspunten. Derde cahier over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging (Utrecht 1999), 77-116.

[104] Notulen VB-CNV, 31 januari 1972.

[105] Op dat moment was er nog sprake van vier nieuwe toetredende landen: Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Ierland en Noorwegen. Deze laatste viel af nadat een meerderheid tijdens het referendum de toetreding had afgewezen.

[106] Verslag van het vooroverleg voor de bijeenkomst EVVV en EO-WVA, Notitie te vinden bij de notulen van het VB-CNV, 7 februari 1972.

[107] Besprekingen EO-WVA -EVVV: Notitie te vinden bij de notulen van het VB-CNV, 7 februari 1972.

[108] Notulen VR-CNV, 21 februari 1972.

[109] B. Barnouin, 22.

[110] P. Pasture, 111.

[111] Notulen VB-CNV, 31 mei 1972.

[112] Notulen VB-CNV, 21 augustus 1972.

[113] Notulen VB-CNV, 25 september 1972.

[114] Verslag van de WVA-IVVV-bijeenkomst 30 en 31 oktober 1972. Notitie bij notulen VB-CNV, 21 november 1972.

[115] Kort verslag van het D van de EO/WVA van 18-1-1973, te vonden bij: notulen VB-CNV, 29 januari 1973.

[116] Verslag van de bestuursvegradering van de EO/WVA van 22 en 23 maart 1973. Te vinden bij notulen VB-CNV, 5 april 1973.

[117] Verslag van het DB van de EO/WVA. Te vinden bij notulen VB-CNV, 28 mei 1973.

[118] Kort verslag van het DB van de EO/WVA van 13-9-1973, te vinden bij notulen 24 september 1973.

[119] Verslag van de bestuursvergadering van 8 en 9 november 1973. Notulen VB-CNV, 26 november 1973.


Reageer

Geef uw reactie op dit artikel in ontwikkeling in het mailformulier op deze website