8 maart 2008 17:05 Leeftijd: 3 jaar

Rescensie over de biografie van Slotemaker de Bruïne

 

“Het is jammerlijk, dat er armen zijn in een solidaire samenleving: afkeuren dat er rijken zijn, komt niet uit solidariteit, maar uit afgunst voort.”

De aandacht voor de politieke biografie is stijgende. De laatste jaren verschijnen steeds meer biografieën over Nederlandse politici. In 2006 verschenen boeken over A. Kuyper en W. Beyen, in 2007 konden we kennis nemen van de levensgeschiedenissen van Heemskerk, Cort van der Linden, De Geer en Slotemaker de Bruïne. Deze laatste biografie trok wellicht de minste aandacht in de media, terwijl deze persoon niet zonder betekenis was en is voor de christelijk-sociale beweging in Nederland.

 Jan Rudolph Slotemaker de Bruïne werd geboren op 6 mei 1869 te Sliedrecht als zoon van een notaris. Hij volgde een groot deel van zijn schoolopleiding in Haarlem, waarna hij aan de Utrechtse Universiteit theologie ging studeren. Na zijn promotie in 1894 nam hij een beroep aan naar het Friese Haulerwijk. In deze gemeente kwam hij in aanraking met de grote armoede die er bij grote delen van de bevolking heerste.

Slotemaker behoorde tot de ethische richting van de Hervormde Kerk. Hij zag het als zijn plicht om de mensen niet alleen in godsdienstig opzicht te helpen, maar ook in maatschappelijk opzicht. In deze gemeente bestond een scherpe concurrentie tussen het socialisme enerzijds met mensen als J.H. Schaper en F.D. Domela Nieuwenhuis en de opvattingen van mensen als Slotemaker. Toen hij tijdens een huisbezoek eens kwam vertellen over de Verlosser, reageerde de man: “De Verlosser? Dat is die man daar!” en wees op een portret van Domela Nieuwenhuis.

Na Haulerwijk stond Slotemaker nog in Beilen, Middelburg, Nijmegen en Utrecht. Vanaf Middelburg ging hij zich ook bezig houden met de Christelijk Nationale Werkmansbond (CNWB).[1] Deze bond kan worden gezien als de hervormde tegenhanger van Patrimonium en had een a-politiek karakter. Belangrijkste taak van de werkmansbond was de fondsenvorming in geval van ziekte, invaliditeit en ouderdom. Daarin verschilde de werkmansbond niet van zijn grootste concurrent Patrimonium. Het is enigszins merkwaardig dat een voorstander van godsdienstig neutrale vakorganisaties zich zo intensief ging inzetten voor een christelijke werkmansbond. Want Slotemaker werd redacteur van De Voorzorg, het orgaan van de CNWB. Later veranderde hij van mening en brak hij een lans voor een aparte christelijke arbeidersorganisatie. De vraag is of hij met dit pleidooi de nadruk meer liet liggen op de aparte arbeidersorganisatie, en daarmee zich afzette tegen Patrimonium die werknemers en werkgevers organiseerde of op het christelijke aspect van vakbonden. Wel wilde hij de voormannen van de christelijke arbeidersbeweging een spiegel voorhouden. Wat betekende het nu om christen-arbeider te zijn?Wat was de waarde van de bijbel voor hen? Hoe keken ze aan tegen de zondag? Deze vragen wierp hij op in een lezing voor de CNWB in 1904.

 

In Utrecht was Slotemaker één van de vele predikanten. Doordat er sprake was van een roulatieschema langs alle kerken hoefde hij niet iedere week een nieuwe preek te verzinnen. Dat liet hem veel ruimte voor studie en schrijven. In die periode, in 1908, schreef hij zijn bekendste werk Christelijk Sociale Studiën. Hij wilde de leiders van de arbeidersbeweging ondersteunen in hun werkzaamheden. Daarbij bouwde hij voort op de vragen die hij in 1904 had gesteld. De christelijke arbeidersbeweging moest inhoud krijgen, waardoor ze zich kon uitbreiden. Daarnaast was het geschreven voor predikanten. Slotemaker hoopte hen, en daarmee de kerk, meer bij de sociale problemen te betrekken. Hij waarschuwde de lezer in zijn voorwoord. Als iemand dacht dat hij na bestudering van dit boek antwoorden op alle vragen zou hebben, zou telergesteld raken. “Wie nu een allesafdoend antwoord wenst zal door mijn werk teleurgesteld worden, hij zal mij bemiddelend vinden en niet belijnd genoeg.”[2]

Dit standaardwerk wees op de plicht van de christen om God ten dienste te zijn. Met die opdracht was de mens op aarde gekomen. De mens kon deze opdracht het beste vervullen door te streven naar gerechtigheid: niet de vriendelijkheid, barmhartigheid of naastenliefde moest voorop staan in het sociale leven, maar het streven naar menselijke waardigheid. Dat was zijn vertaling van het begrip gerechtigheid. In de economie moest aandacht en ruimte zijn voor de menselijke factor. Daarmee wees hij op het belang van de ethische aspecten bij het maken van economische keuzes. Vanuit het christendom was er niet een automatische voorkeur voor een bepaalde economische ordening, maar moest er oog zijn voor de uitwassen van een bepaalde ordening. In het geval van een kapitalistische ordening moesten uitwassen bestreden worden door sociale wetgeving en sterke vakorganisaties. Maar die vakorganisaties moesten in de traditie van het harmoniemodel staan. De klassenstrijd werd door hem verworpen. Maar indien nu gedacht werd dat Slotemaker zich wel kon vinden in de katholieke sociale leer kwam bedrogen uit. Hij wees op het grote verschil tussen de protestantse en katholieke traditie ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Hij wees de noodzaak van een autoriteit van de paus af.

Ook in zijn boek Het Solidarisme uit 1912 uitte hij forse kritiek op het katholicisme en op het socialisme. Hij bepleitte het protestantse solidarisme. Deze houding was tegen de vrijheid van de liberalen, tegen de gelijkheid van de socialisten, tegen het gezag van de Roomsen. Daarentegen was het solidarisme een warm voorstander van de samenbinding in de samenleving. Dat laatste duidde hij aan als de solidariteit, ter onderscheiding van de broederschap en de liefdadigheid. “Het is jammerlijk, dat er armen zijn in een solidaire samenleving: afkeuren dat er rijken zijn, komt niet uit solidariteit, maar uit afgunst voort.” [3]

 

Vanaf 1914 werd hij politiek actief voor de Christelijk Historische Unie. Eerst als lid van de Utrechtse Provinciale Staten en van 1922 tot 1926 als lid van de Eerste Kamer. Van 1926 tot 1929 was Slotemaker minister voor Arbeid, Handel en Nijverheid. Door A.S. Talma was al een belangrijke aanzet gegeven voor de Ziektewet. De wet was in 1913 aangenomen, maar was nog steeds niet ingevoerd. Slotemaker voerde deze wet in, maar niet nadat hij de betrokken partijen nog stevig had moeten overtuigen van zijn aanpassingen. Negen dagen voor zijn aftreden als minister werd de wet door de Eerste Kamer aangenomen. Ook een andere belangrijke wet op het sociale terrein werd door Slotemaker met succes door het parlement geloodst. Het betrof hier de ongevallenwet, een wet die ook al lange tijd op zich had laten wachten. Daarmee kan terecht worden gesteld dat Slotemaker een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de vooroorlogse sociale wetgeving.

Toch verwierf Slotemaken niet zijn grote naam als minister van Arbeid. Zij roem kwam meer voort uit zijn betrokkenheid bij het onderwijs, waar hij tijdens het derde en vierde kabinet Colijn minister van was. Onderwijs had altijd al zijn warme voorliefde gehad. Al vroeg had hij het belang onderkend van een goede opleiding voor een goed functioneren in de samenleving. Dat had hij al gedaan met Christelijk Sociale Studien, die hij ook bedoelde als scholingsmateriaal voor de christelijke vakbondsleiders, maar ook tijdens zijn periode als hoogleraar was hij meer gericht op het bijbrengen van kennis dan op het verrichten van nieuw onderzoek. Vandaar dat zijn benoeming als minister van onderwijs aan de ene kant niet vreemd was. Aan de andere kant was niet iedereen meer onder de indruk van de kwaliteiten van Slotemaker. Colijn daarentegen wilde een vertrouweling op deze post om de noodzakelijke bezuinigingen goed door het parlement te leiden.

Of het zijn gelukkigste jaren waren, moet betwijfeld worden. Zijn ster binnen de CHU was al dalende. Tegelijkertijd moest hij maatregelen nemen, waarbij de waarde van het onderwijs in het gedrang kwam. Er moesten forse bezuinigingsmaatregelen worden getroffen, zoals het ontslag van gehuwde onderwijzeressen, die geen kostwinster waren, de verkorting van de ambachtsschool van 3 naar 2 jaar, een concentratiemaatregel voor het bijzonder onderwijs, waardoor het moeilijker werd om scholen te stichten. Met veel van deze maatregelen kwam hij in aanvaring met de Kamer. Naarmate de tijd voortschreed viel het Slotemaker zwaarder om een goede verdediging op te bouwen tegen de argumenten van de Kamer. Zijn herbenoeming in 1937 ging dan ook niet meer van harte.

Na zijn vertrek als minister volgde Slotemaker D.J. de Geer op als voorzitter van de CHU Tweede Kamerfractie. Deze functie vervulde hij totdat het parlement zijn werkzaamheden staakte in mei 1940.

 

In de biografie van de hand van Groenewold wordt een globaal overzicht gegeven van het leven van Slotemaker. Zijn activiteiten als predikant, als hoogleraar en als politicus worden beschreven, maar het is jammer dat niet in wordt gegaan op zijn motieven om diverse functies uit te oefenen en wat zijn drijfveren waren. Wat waren zijn inspiratiebronnen? Deze vraag is des te meer interessant, omdat hij vooral ook verwijst naar Franse inspiratiebronnen in zijn boek Het solidarisme en zich in al zijn geschriften duidelijk afzet tegen de opvattingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Ook is het jammer dat niet in wordt gegaan op de houding van Slotemaker tegenover de Jodenvervolging. Slotemaker had tijdens de bezetting het initiatief genomen tot het Convent van Kerken. Diverse protestantse kerken in Nederland werkten in dit orgaan samen om een gezamenlijke houding tegenover de bezetter in te nemen. Slotemaker was tevens de eerste voorzitter en heeft deze functie vervuld totdat hij hier lichamelijk niet meer toe in staat was. Tijdens zijn voorzitterschap kwam de houding van de kerken tegenover de jodenvervolging ter sprake. Zou er niet een gemeenschappelijk adres naar de Duitse bezetter moeten? Vanuit de Oecumenische Raad werd daar sterk op aangedrongen. Maar in de diverse kerken rees de vraag in hoeverre de kerken zich hiermee bezig moesten houden. Was dit een taak van de kerk? Slotemaker was hier huiverig voor, terwijl zijn eigen kinderen op dat punt een andere houding aannamen.[4]

Deze biografie moet dan ook vooral als een aanzet voor een grondige biografie worden gezien. Deze biografie geeft veel basisinformatie, maar laat nog veel interessante vragen onbeantwoord laat. Na de afronding van de beschrijving van de geschiedenis van de CHU is dit wellicht nog een mooi onderwerp voor onderzoek.

 

C.A. Groenewold, Christelijk en sociaal. Biografie van J.R. Slotemaker de Bruïne (Hilversum 2007). Kosten: 12 euro

 

 

Jan ten Hoopen en Jan Jacob van Dijk

 

 

 


[1] Voor meer informatie over de CNWB: C.E. Groenwold, ‘De Christelijk Nationale Werkmansbond (CNWB)’in: Voorlopers en dwarsligger. Tweede Cahier over de geschiedenis van de Christelijk sociale beweging (Utrecht 1998), 32-41.

[2] J.R. Slotemaker de Bruïne, Christelijk Sociale Studiën (Utrecht 1908)

[3] J.M. Peet, L.J. Altena, C.H. Wiedijk (red.), Honderd jaar sociaal. Teksten uit honderd jaar sociale beweging en sociaal denken in Nederland (Amsterdam 1998), 210-216.

[4] J. de Ruiter, Jan Donner. Jurist (Amsterdam 2003), 137-143.


Reageer

Geef uw reactie op dit artikel in ontwikkeling in het mailformulier op deze website