[archief item]
Geloof in eigen zaak
Toespraak bij aanbieding bundel 'Geloof in eigen zaak' bij VNO-NCW aan premier Balkenende op 14 maart 2006.
“Wij willen hetzelfde, dat is waar, maar wij willen het niet uit hetzelfde beginsel, niet op dezelfde wijze, niet langs denzelfden weg, niet tot hetzelfde doel.”
Ik vraag u dit citaat vast te houden gedurende mijn korte bijdrage van vanmiddag.
Laat ik beginnen met te stellen dat de beide redacteuren, Paul Werkman en Rolf van der Woude, een buitengewoon fraai boekwerk hebben geproduceerd.
Het geeft een fraai inzicht in het leven van enkele protestantse ondernemers van de afgelopen 200 jaar.
Verhalen over succesvolle ondernemers, zoals Hovy en Van Oord, maar ook over minder succesvolle ondernemers als Wormser en misschien kan Verolme ook in dat rijtje worden genoemd.
Ondernemers met een vrijgemaakte achtergrond zoals Groen en Van Oord, met een gereformeerde achtergrond zoals Hovy en Timmer, een hervormde achtergrond zoals De Pous en Pierson, maar ook doopsgezinden, zoals Honig en een Lutheraan Lichtenauer krijgen hun plek in dit boek.
Maar ook worden enkele personen geportretteerd die meer bekendheid hebben gekregen door hun politieke en sociale activiteiten dan hun ondernemersactiviteiten.
Denk aan Borst, Colijn, Pierson en De Pous.
Ik zou mijn verhaal zoals het een goed gereformeerde jongen betaamt uit drie delen willen opbouwen.
In de eerste plaats wil ik iets zeggen over de plaats van dit boek in het wetenschappelijk debat.
In mijn tweede deel wil ik ingaan op de vraag wat nu een typisch protestants-christelijk ondernemer is?
In het derde deel wil ik ingaan op het maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Eerst over deze bundel in het huidige wetenschappelijke debat.
Als we kijken naar de geschiedschrijving over bedrijven en ondernemers mogen we de laatste jaren niet klagen.
Er verschijnen regelmatig boeken over afzonderlijke bedrijven.
Laatst kreeg ik bijvoorbeeld nog weer een boek over de bedrijfsgeschiedenis van DURA-Vermeer.
De kwaliteit van de geschiedschrijving over bedrijven neemt ook toe.
In veel van deze boeken wordt ook steeds meer aandacht geschonken aan de ondernemer.
Daarnaast verschijnen over ondernemers biografieën en biografische schetsen.
Lange tijd was er in Nederland vrijwel niets op dit terrein.
Wim Wennekes was de eerste die enkele biografische schetsen aan het papier toevertrouwde.
Zijn artikelen uit de Intermediair werden gebundeld in het boek De Aartsvaders, dat zo langzamerhand een klassieker is geworden.
Opvallend in dat boek is dat er weinig aandacht is voor de religieuze achtergronden van de ondernemers en wat de invloed van die achtergronden op het ondernemen betekende.
Ook in andere boeken, zoals de biografie van Philips en Heineken wordt daar geen of weinig aandacht aan besteed.
In Nederland is in enkele studies wel ingegaan op de positie van de doopsgezinden, zoals het boek van Trompetter over de overheersende rol van doopsgezinden in de Twentse katoenindustrie en een artikel van Wekker over de rol van de doopsgezinden in de economie.
Daarnaast is een apart boek verschenen over Joodse ondernemers in diverse sectoren.
In die bundel is door diverse auteurs onderzocht in welke sectoren joodse ondernemers actief waren.
Maar voor katholieke en protestants-christelijke ondernemers had dat nog niet plaats gevonden.
In ieder geval voor de protestantse ondernemers is nu gedeeltelijk in deze lacune voorzien.
Gedeeltelijk, want in dit boek worden biografische schetsen gegeven van enkele markante protestantse ondernemers, maar er ontbreekt nog een vergelijking met ondernemers uit die zelfde periode in dezelfde sector.
Dan pas kunnen we echt vergelijken tussen protestantse ondernemers en anderen.
Trouwens: de vraag dringt zich op waarom dergelijke studies niet eerder zijn verschenen?
Was religie volgens de wetenschappers een weinig relevante verklaringsfacor voor de manier waarop ondernemingen werden gedreven?
En daarmee komen we aan het tweede deel van mijn verhaal.
Wat is nu precies protestants-christelijk ondernemerschap?
De vraag stellen is makkelijker dan hem te beantwoorden.
In het VK heeft Jerremy gepoogd om dit op basis van onderzoek onder protestants-christelijke ondernemers boven tafel te krijgen.
Maar het lukte hem uiteindelijk niet.
In Nederland is deze vraag nog niet echt aan bod gekomen.
In het eerder genoemde onderzoek over Joodse ondernemers is een poging ondernomen om Joods ondernemerschap te definieren, maar dit bleek ondoenlijk.
In andere boeken is deze vraag nog niet aan de orde gesteld.
Daarom is dit boek dan ook extra interessant.
Want hopelijk zou uit deze bundel een rode draad te vinden zijn over de manier waarop protestants-christelijke ondernemers ondernemen.
Voor sommigen speelde het christelijk geloof een dominante rol.
Er vonden gemeenschappelijke dagopeningen binnen het bedrijf plaats, zoals bij Hovy.
Of werd van de christelijke geloofsopvattingen in de bedrijfsorganen veelvuldig kond gedaan, zoals bij Verolme, die zich rentmeester van God op aarde noemde.
Bij anderen was dat niet het geval en speelden andere elementen een belangrijkere rol bij de ondernemersactiviteiten, zoals het belang van de familie of van de geografische herkomst.
Het duidelijkst kwam dat bij Van Heek tot uitdrukking.
Voor sommigen speelde de christelijke achtergrond een belangrijke rol bij de bedrijfsvoering, zoals bij Hovy, die zijn werknemers de ruimte bood om activiteiten voor Patrimonium te verrichten of een collectieve ziektekostenverzekering en ouderdomsvoorziening voor zijn personeel trof.
In zijn inleidend artikel in dit boek komt Davids dan ook terecht tot de conclusie, dat er geen eenduidige omschrijving van protestants ondernemen bestaat.
Wel verwijst hij naar Weber, die in zijn boek over de relatie tussen protestantisme en kapitalisme een duidelijke band legt.
Een protestant ziet het beroep als een roeping, met als gevolg een stevige drijfveer om zijn activiteiten te ontplooien.
Dat is wat mensen ook altijd aanduiden met onze calvinistische instelling.
Maar dat zegt nog niets over de manier waarop de ondernemer binnen zijn onderneming opereert.
Daar gaf Weber geen antwoord op.
Dan moeten we op zoek gaan naar andere bronnen.
Sinds enige jaren geeft NCW enkele boeken onder redactie van Bram Rutgers van der Loeff uit waarin wordt gesproken over de inspiratie van ondernemers.
In de interviews die daarin worden geplaatst spreken de ondernemers zich uit over wat hen drijft.
Waarom ze doen wat ze doen.
Opvallend is dat veel mensen teruggrijpen op hun opvoeding, waarin hen christelijke beginselen zijn bijgebracht, die ze in de rest van hun leven niet meer vergeten en op een of andere manier weer toepassen in hun ondernemer zijn.
Zonder ze echt te benoemen.
Zonder het echt te kunnen te omschrijven, maar ze doen het gewoon.
Moeten we het dan wel omschrijven?
Het zou wel moeten.
Want moet een ondernemer met een christelijke achtergrond deze niet in zijn ondernemer zijn tot uitdrukking laten komen?
Het geloof van de zondag heeft toch ook betekenis voor de maandag en de andere dagen van de week?
Hoe zou dat dan in het ondernemen tot uitdrukking moeten komen?
De kern van het christelijk-sociaal denken kan omschreven worden in de term persoonlijke verantwoordelijkheid.
Deze term geeft duidelijk aan dat iedere mens verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen en keuzes, maar daarbij altijd het belang van de gemeenschap in het oog moet houden.
Nog strakker: geen mens mag zijn ogen sluiten voor de gevolgen die zijn keuzes en handelen heeft voor anderen.
En als deze negatief uitpakken, dan zou men deze keuze niet moeten doen.
Als we dit nu toepassen op het ondernemerschap, dan zou een ondernemer bij zijn beslissingen rekening moeten houden met zijn omgeving en met zijn werknemers.
Natuurlijk moet de ondernemer gaan voor het ondernemingsbelang, voor de continuïteit van het bedrijf.
Daar is niets mis mee.
Maar verder moet een ondernemer rekening houden met het welzijn van zijn werknemers en zijn verantwoordelijkheid voelen en dragen voor de gemeenschap.
Laat ik u enkele voorbeelden noemen, die passen binnen het christelijk-sociaal denken.
In het onderwijs wordt, zeker binnen het VMBO en MBO geschreeuwd om stageplaatsen.
Daar hoort een ondernemer ook zijn verantwoordelijkheid in te voelen en te dragen.
Als een werknemer een vlekje heeft, moet een ondernemer het probleem niet direct over de schutting gooien en bij de overheid neerleggen, maar deze mensen ook een toekomst bieden binnen zijn bedrijf.
Of de medezeggenschapsorganen binnen het bedrijf serieus tegemoet treden.
Kortom: zich kunnen verplaatsen in de gezichtspunten van de werknemer.
Op een verantwoorde manier met het milieu omgaan en zo zijn er meer voorbeelden te noemen.
Aha, zullen sommigen onder u zeggen.
Dat klinkt vertrouwd.
Dat is gewoon maatschappelijk verantwoord ondernemen.
En, andere zullen zeggen, daar heb je ze weer.
Die wetenschappers die ons weer even komen vertellen wat MVO is.
Maakt u zich geen zorgen, daar kom ik niet voor.
Wel voor iets anders.
Er zijn mensen die stellen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een mooi christelijk sociaal begrip is.
En dat ben ik hartgrondig met die mensen oneens.
Het is een typisch liberaal begrip.
Want de eerder genoemde elementen zitten in onze genen.
Die zijn ons met de paplepel ingegoten.
Vanuit onze opvoeding weten we hoe we behoren te ondernemen, daar hebben we geen ingewikkelde boekjes voor nodig. En vooral: we hoeven ons niet op de borst te slaan.
Dat doen we vanuit ons zelf.
En dat is het grote verschil met het liberale begrip MVO.
Daar willen bedrijven zich onderscheiden op basis van het feit dat ze iets extra’s doen, iets meer rekening houden met het milieu dan de wetgever van ons eist.
Iets meer zorg besteden aan zijn werknemers, dan de WOR of de arbeidswetgeving van hem verlangt.
Dat is het grote verschil tussen het liberale MVO en christelijk sociaal ondernemerschap: wij doen het, om bij wijze van metafoor, vanuit onze genen, zij doen het vanuit marketing motieven.
En dat maakt een fors verschil, zoals blijkt uit het eerder genoemde citaat van Klaas Kater uit 1877.
“Wij willen hetzelfde, dat is waar, maar wij willen het niet uit hetzelfde beginsel, niet op dezelfde wijze, niet langs denzelfden weg, niet tot hetzelfde doel.”
