[archief item]
governance in het onderwijs
Informatie voor de leden
- Tijdens de begrotingsbehandeling heeft de CDA-fractie er op aangedrongen dat we eerst een algemeen debat zullen voeren over governance binnen het onderwijs en pas daarna naar de diverse afzonderlijke wetsvoorstellen zouden gaan kijken. Wat dat betreft werd met belangstelling uitgekeken naar een reactie van het kabinet op het rapport Zoontjes uit mei 2006. Dat rapport heeft vooral betrekking op governance binnen het openbaar onderwijs, maar op basis van een discussie over dit onderwerp zou in zijn algemeenheid gesproken kunnen worden over governance binnen het onderwijs. Het verzoek van het CDA werd gehonoreerd.
- de aanleiding voor dit verzoek was de aanhoudende stroom aan wetsvoorstellen die werden ingediend dan wel aangekondigd. Het CDA hechtte er aan om eerst een discussie te voeren over de algemene uitgangspunten over de governance, waarin onder andere ook gesproken zou moeten worden over de vraag of de governance structuren in de diverse sectoren verschillend zouden moeten zijn. Na afronding van die discussie zou over de afzonderlijke wetsvoorstellen gesproken kunnen worden.
- Op het moment van schrijven van deze notitie is nog geen brief van het kabinet over dit onderwerp binnen gekomen. Deze brief zal naar alle waarschijnlijkheid pas op 31 januari verschijnen, mijns inziens aan de late kant om daar op 6 februari goed over te kunnen discussiëren.
- in het verleden zijn vele brieven over governance naar de Kamer gezonden. Een belangrijk element in die discussie was een strikte interne scheiding tussen toezicht en bestuur binnen de onderwijsinstellingen. Dat principe is ook aanvaard door de Kamer. Daarbij speelde toen wel de vraag hoe dit principe binnen het openbaar onderwijs uit zou werken. Daar gaat onder andere het rapport Zoontjes over. Daarnaast zijn nog enkele andere ontwikkelingen aan de orde geweest, zoals de discussie over de mogelijkheden om in te grijpen in de samenstelling van de toezichthoudende organen en de medezeggenschap binnen de onderwijsinstellingen. Ook deze onderwerpen zouden aan bod moeten komen in deze discussie.
- Voordat we op het CDA-standpunt ingaan is het goed om enkele technische zaken van te voren uit te leggen. Het gaat dan om de volgende onderwerpen:
- de regelgeving over besturing van het openbaar funderend onderwijs;
- de verhouding tussen het bevoegd gezag en de uitvoerende instantie;
- de medezeggenschap binnen de diverse onderwijssectoren. - Het openbaar onderwijs is van de overheid. De overheid moet op grond van de grondwet een overheersende invloed hebben op het openbaar onderwijs. Maar wat wordt nu precies verstaan onder overheersende overheidsinvloed? In een van de laatste wetswijzigingen werd het zo geformuleerd dat de leden van een schoolbestuur van het openbaar onderwijs tenminste een derde, doch geen meerderheid van die leden door een bindende voordracht van de ouders zouden worden benoemd.
- het openbaar onderwijs kent momenteel vijf verschillende vormen waarin het bestuur is geregeld:
1. integraal bestuur: waarbij of het college of de gemeenteraad het bestuur van de school vormt. Als het college het bestuur vormt, dan houdt de raad toezicht. In het geval de raad het bestuur vormt is er eigenlijk geen sprake van een scheiding tussen bestuur en toezicht. Deze laatste figuur komt momenteel zelden voor. Hier doen zich geen problemen voor, omdat er intern een scheiding is aangebracht tussen bestuur en toezicht. Dit model verliest echter aan waarde, omdat veel gemeenten overgaan tot vermogensrechtelijke verzelfstandiging of een bestuurscommissie.
2. bestuurscommissie. De raad en het college delegeren een deel van hun bevoegdheden aan een commissie, maar de rechtspersoon gemeente houdt de school in stand. Op grond van de gemeentewet bepaalt de raad wie in de bestuurscommissie zit, stelt de jaarstukken vast en bewaakt het openbare karakter van het openbaar onderwijs. In dit model lopen de bestuurlijke en toezichthoudende taken van de Raad door elkaar heen. Maar de introductie van een RvT helpt weinig, omdat vrijwel alle bevoegdheden bij de raad liggen.
3.In de jaren negentig is vermogensrechtelijke verzelfstandiging van het openbaar onderwijs geïntroduceerd. Dat laatste is gebeurd door de omzetting naar een stichting of een openbare rechtspersoon. Een openbare rechtspersoon wordt door de gemeenteraad met een verordening ingesteld. Deze openbare rechtspersoon houdt de school in stand. Het bestuur daarvan is het bevoegd gezag geworden. Alleen de bevoegdheid tot opheffing en inrichting blijft bij de raad, de rest is overgedragen aan het bestuur van de openbare rechtspersoon. De gemeenteraad vervult in deze vorm het toezicht. Maar de huidige wetgeving bepaalt ten aanzien van het gemeentebestuur dat het nog de volgende taken heeft:
a. zorgen voor voldoende openbaar onderwijs en voor het karakter daarvan
b. de gemeente moet een overheersende invloed hebben op het bestuur
c. de benoeming van de bestuursleden
d. de vaststelling van de bestuursorganisatie,
e. vaststelling van de jaarstukken,
f. wijziging van de statuten
g. oprichting en opheffing van de rechtspersoon
h. ingrijpen bij ernstige taakverwaarlozing.
Zoontjes concludeert dat deze vorm van toezicht weliswaar een strikte scheiding realiseert, maar dat het toezicht door de gemeenteraad niet als intern toezicht mag worden beschouwd. Maar omdat de wetgeving reeds een aantal taken heeft vastgelegd, die thuis horen bij de gemeenteraad, komt de vraag naar boven of een RvT nog veel toegevoegde waarde heeft in dit model. Binnen de huidige wetgeving is het antwoord op die vraag negatief.
4. de stichting. Deze is volgens privaatrecht in het leven geroepen. De gemeenteraad blijft een beslissende stem houden ten aanzien van enkele belangrijke taken, zoals de wijziging van de statuten van de stichting. Verder geldt voor deze vorm hetzelfde als bij de openbare rechtspersoon.
5. de stichting samenwerkingsbestuur. Deze vorm lijkt veel op de eerder genoemde vormen 3 en 4, met toch een aantal belangrijke verschillen. In de eerste plaats vallen hier bijzonder en openbaar onderwijs onder. Deze combinatie brengt een aantal verschillen met zich mee ten aanzien van de rol van de gemeenteraad. Zo heeft de gemeenteraad slechts invloed op de aanwijzing van de bestuursleden voor het openbare deel, slechts het goedkeuringsrecht voor de wijziging van de statuten. Er moet met de gemeente overleg worden gevoerd voor de begroting en de jaarstukken. De rol van de gemeenteraad is dus veel beperkter dan bij vormen 3 en <metricconverter productid="4. In" w:st="on">4. In</metricconverter> dit model zou heel gemakkelijk een Raad van Toezicht geïntroduceerd kunnen worden ten einde het interne toezicht te realiseren. Zou dit model geen voorbeeld kunnen zijn voor de andere bestuursvormen? Zoontjes meent voor een aantal zaken wel, maar wil het financieel toezicht en het recht op benoeming van de leden van de RvT voorbehouden aan de gemeenteraad. Hij wil daarmee voorkomen dat de afstand tussen de bestuurscommissie en dit model voor wat betreft de invloed van de raad niet te groot wordt. - een vraag in het verlengde van het vorige vraagstuk betreft het vraagstuk van mandatering, delegatie en attributie. In het eerste geval blijft het bestuur, in feite het toezichthoudend orgaan, het bevoegd gezag. De directie voert uit en het bestuur ziet er op toe en verstrekt mandaat aan de directie om zaken uit te voeren. Maar het bestuur blijft het bevoegd gezag. Tot op dit moment is dat de gebruikelijke gang van zaken binnen het PO en ook nog veel in het VO.
In het geval van delegatie verschuift het bevoegd gezag van het toezicht houdend orgaan naar dat van de directie of een college van bestuur. In dergelijke gevallen staat het bestuur of de raad van toezicht op afstand. In het VO komt deze figuur veel voor, waarbij wel moet worden opgemerkt dat in het openbaar funderend onderwijs het expliciet is uitgesloten dat er sprake kan zijn van delegatie. Daar is het expliciet beperkt gebleven tot mandatering. Voor de BVE geldt een algemene delegatie: hier is trouwens geen enkele openbare ROC.
In het geval van attributie worden rechtstreeks op basis van de wet bevoegdheden toebedeeld aan de directie, college van bestuur en aan examencommissies en de decaan. Dat komt voor bij openbare universiteiten. Als gevolg van bepalingen in de wet op het hoger onderwijs en wetenschappen (WHW) lijkt dit in de praktijk ook te gelden voor de bijzondere universiteiten. Voor openbaar hoger onderwijs geldt dit ook, maar voor bijzondere hogescholen gelden andere regels volgens de WHW: het instellingsbestuur is bevoegd gezag en kan mandaat verlenen of bevoegdheden delegeren aan vestigingen. Bijzondere hoge scholen hebben andere regels dan openbare hoge scholen. - Medezeggenschap.
Voor wat betreft het PO en VO is sinds de zomer van 2007 de WMS van kracht geworden, waarin de modernisering van de WMO heeft plaats gevonden. Dit leidde er toe dat er een medezeggenschapsraad, bestaande uit ouders en personeel, binnen de scholen fungeert. Als er sprake is van een schoolbestuur met meerdere scholen moet een GMR in het leven worden geroepen met daarnaast nog een MR per school. Iedere geleding heeft onderscheidene rechten op diverse terreinen. In de BVE-sector staat een nieuwe wet op stapel waarin de medezeggenschap op een andere manier wordt geregeld. Er komt een ondernemingsraad voor het personeel, een deelnemersraad voor de deelnemers en een ouderraad voor de ouders. Daarin worden hun rechten vastgelegd. Voor de universiteiten en hoge scholen is een keuzemodel ingevoerd, waarin het aan de universiteiten en hogescholen wordt overgelaten om de medezeggenschap op een goede manier te regelen. Ze mogen zelf kiezen tussen de gedeelde dan wel ongedeelde medezeggenschap.
Standpunt
- Tijdens de begrotingsbehandeling in december 2007 heeft de CDA-fractie een pleidooi gehouden voor kwalitatief goed onderwijs. Daar hebben we ook nauwkeurig omschreven hoe dat er uit ziet. Ik ga het hier niet meer helemaal herhalen, maar één deel wil ik wel noemen: Goed onderwijs is onderwijs waar ouders en leerlingen zich in herkennen. Waarin ze het gevoel hebben dat het onderwijs mede van hen is. Dat de leraren zich weer mede-eigenaar voelen van het onderwijs en ze aangesproken worden op hun professionele talenten. Dan zitten we bij de kern van het debat over good governance.
- Voor het CDA heeft altijd vooropgestaan dat de interne verantwoording en het externe toezicht complementair aan elkaar moeten zijn. Dus als de interne verantwoording goed op orde is, kan het externe toezicht minder intensief worden gevoerd. Goede interne verantwoording veronderstelt een strikte interne scheiding tussen toezicht en bestuur en een goede verantwoording aan belanghebbenden. Dat was ook de strekking van de inbreng van het CDA tijdens het AO over de nieuwe maatregelen op het terrein van de onderwijsinspectie. Naarmate de interne, horizontale verantwoording goed georganiseerd en geregeld is, kan het externe verticale toezicht afnemen.
- In dat AO werd echter niet ingegaan op de vraag waar de interne verantwoording aan zou moeten voldoen. Aan welke eisen moet deze verantwoording voldoen om uiteindelijk verantwoord te kunnen stellen dat we het externe toezicht minder intensief zullen laten zijn? Dat is nu juist het onderwerp dat behandeld moet worden bij het onderwerp van governance.
- een van de eerste vragen waar we tegen aanlopen is de vraag via welke organen de interne verantwoording geregeld kan en moet worden? En welke gevolgen heeft dat voor het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs? Een tweede vraag betreft de rol van de medezeggenschap van de ouders/ leerlingen en van het personeel? Een derde vraag betreft de positie van het bevoegd gezag ten opzichte van de overheid. In de vierde plaats moet gekeken worden naar de situatie van het openbaar onderwijs in relatie tot de gemeente. Kan een gemeenteraad als intern toezicht worden beschouwd? Daarbij moet naar de diverse rollen van de gemeentelijke overheid worden gekeken. In de vijfde plaats komt de vraag naar boven welke mogelijkheden de overheid heeft om in te grijpen bij wanbestuur? Mag een overheid ingrijpen in de samenstelling van een raad van toezicht? Mag ze eisen stellen aan de samenstelling daarvan? Tot slot moet de vraag aan bod komen hoe aangekeken wordt tegen de vraag wie nu precies bevoegd gezag is met welke rechten en plichten. Al deze vragen zullen aan bod moeten komen in het debat over governance.
- Maar de eerste vraag die beantwoord moet worden is de vraag waarom we over dit onderwerp moeten spreken. Waarom staat het onderwerp governance zo hoog op de agenda? In de eerste plaats omdat diverse rapporten duidelijk hebben gemaakt dat de positie van veel dienstverlenende organisaties kritisch wordt beschouwd. Diverse instellingen hebben daar in hun adviezen al op gewezen: RMO, WRR en SER hebben hier uitgebreide analyses op los gelaten. De indruk bestaat dat mensen er voor de onderwijsinstellingen zijn en niet omgekeerd. Dat de ouders te weinig grip hebben op het functioneren van de onderwijsinstellingen, dat de professionaliteit van de leerkrachten onvoldoende wordt benut. In de tweede plaats wordt getwijfeld aan de maatschappelijke inbedding van onderwijsinstellingen. In hoeverre staan ze open voor invloeden vanuit de samenleving voor wat betreft hun onderwijsprogramma en hun functioneren? Deze zaken hebben te maken met de bestaande cultuur binnen het onderwijs, maar moeten ook consequenties hebben voor de structuur van de onderwijsinstellingen. En dan komen we op de vraag wie heeft wat te zeggen binnen het onderwijsveld.
- Voor het CDA staat voorop dat de governance-structuur uiteindelijk moet leiden tot het gevoel dat de ouders/leerlingen weer de mede-eigenaar van de school zijn. Ouders moeten invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de school. Scholen moeten daar open voor staan en rekening houden met de wensen en verlangens van de ouders, mits dat binnen de verantwoordelijkheden van het onderwijs kan. Hoe zorgen we er nu voor dat ouders voldoende hun stem kunnen laten horen? De betrokkenheid van ouders via schoolbesturen zal in sommige gevallen nog wel mogelijk zijn, maar het is een illusie om te veronderstellen dat daarmee de invloed van ouders op de school voldoende geregeld is. Ouders moeten informatie ontvangen van de school over de keuzes die de school maakt en gemaakt heeft, zodat de ouder en de leerling weet welke kant de school op wil. Ouders kunnen dan de afweging maken of deze lijn past bij hun opvattingen. Een eerste vereiste van een school is dus een open transparante houding naar de ouders toe. Een jaarverslag en beleidsplan zijn daartoe geschikte instrumenten. En als een school dan ook nog eens de uitnodigende houding heeft waardoor dergelijke plannen en verslagen ook besproken kunnen worden met de ouders, voordat ze worden vastgesteld, dan krijgen ouders het gevoel dat de school weer van hen is.
- de keuzes die dan gemaakt zijn, zijn leidend voor het bevoegd gezag. Het is dan aan hen om de plannen uit te voeren. En op die uitvoering moet toezicht worden gehouden. Dat betekent dat er een heldere scheiding moet zijn tussen het bestuur/ management en het interne toezichthoudend orgaan.[1] Het CDA meent dat deze scheiding binnen elke sector van het onderwijs terug moet komen. Daarover mag geen onhelderheid over blijven bestaan en dat geldt voor zowel het bijzonder als het openbaar onderwijs. Binnen het hoger onderwijs is dat al het geval. Binnen de BVE, primair en voortgezet onderwijs is dat nog niet zo. Daar zal het dus in de komende periode geregeld moeten worden.
- De vraag is welke eisen de overheid hieraan mag stellen. Moet dit altijd via het model van college van bestuur en een raad van toezichtmodel of zijn er ook andere modellen mogelijk, zoals een directie en een bestuur? Het CDA is van mening dat hierin ruimte mag worden geboden aan de scholen om hierin een constructie op maat te kiezen, maar dat er wel een heldere scheiding tussen bestuur en toezicht moet bestaan. Dat zorgt er voor dat de verplichtingen die vanuit de grondwet worden neergelegd voldoende in acht worden genomen. Met andere woorden: een overheid mag niet verplichtend één model opleggen, zoals nu voor de BVE-sector is gedaan, maar mag wel de eis van strikte scheiding tussen toezicht en bestuur formuleren. In dat kader is het ook goed om na te denken over de vraag of het voordrachtsrecht van ouders voor een derde deel van de leden van het toezichthoudend orgaan niet algemeen geldend zou moeten zijn, zoals nu al in het openbaar funderend onderwijs het geval is. Het CDA ziet daar het voordeel van vergrote binding tussen ouders en de school in.
- Een aparte positie neemt het openbaar funderend onderwijs in.
Voor het bijzonder onderwijs geldt nadrukkelijk dat de overheid zich niet mag bemoeien met de inrichting van het onderwijs. Het is een zaak die in het privaatrecht is geregeld, waarbij het bevoegd gezag een “rechtspersoon is met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt.” De overheid mag geen directe bestuurlijke invloed uitoefenen ten aanzien van het bijzonder onderwijs. Dat ligt voor het openbaar onderwijs fundamenteel anders. Daar moet de overheid een belangrijke stem in het kapittel houden, omdat zij grondwettelijk gezien verplicht is om openbaar onderwijs te regelen. De vraag is hoe dat geregeld moet worden binnen het hierboven geformuleerde principe van een strikte interne scheiding tussen toezicht en bestuur. - Kijkend naar de diverse bestuursvormen voor het openbaar funderend onderwijs zien we in de eerste plaats de integrale bestuursvorm. Als gevolg van allerlei ontwikkelingen vraagt de CDA-fractie in navolging van Zoontjes zich af of de integrale bestuursvorm nog voldoende adequaat is? De vraag stellen is hem beantwoorden. Dat heeft te maken met een veranderende taak van de gemeente in het onderwijs, een veranderende verantwoordelijkheid van scholen binnen een gemeente en de good governance vereisten.[2] Doordat een gemeenteraad niet kan worden beschouwd als een intern orgaan en evenmin over voldoende professionaliteit beschikt om een voldoende tegenwicht te bieden tegen het management van een school kan gesteld worden dat dit model niet aan de eisen van good governance voldoet. Deze lijn kan ook doorgetrokken worden naar de bestuurscommissie.
- Dat ligt anders bij de bestuursvormen waarin sprake is van een vermogensrechtelijke verzelfstandiging (openbare rechtspersoon en stichting). Het CDA bepleit een wetswijziging waardoor in het geval van een vermogensrechtelijke verzelfstandiging van het openbaar onderwijs de gemeenteraad niet meer wettelijk verplicht is om het financieel toezicht, de bestuurlijke organisatie, de benoeming van de leden van de raden van toezicht tot zijn bevoegdheden te rekenen onder de voorwaarde dat deze taken adequaat worden overgenomen door een raad van toezicht. Daarmee komt de inrichting van deze bestuursvorm dichter bij de vereisten van een interne strikte scheiding tussen bestuur en toezicht. Daarmee komt dit model ook dichter bij de bestuursvorm van de samenwerkingsschool.
- In het geval van het bijzonder onderwijs heeft de overheid geen bevoegdheden voor de inrichting, mits er een strikte interne scheiding tussen bestuur en toezicht is. Hierbij speelt nog wel een vraag. Indien er sprake is van ernstige taakverwaarlozing, mag de overheid dan ingrijpen in de samenstelling van de raad van toezicht? Momenteel is dat niet het geval. In de ogen van het CDA zouden we die kant ook niet op moeten gaan. Want dat betekent impliciet dat de overheid eisen kan gaan formuleren waar leden van een raad van toezicht aan moeten voldoen, hetgeen zich niet verhoudt met de vrijheid van onderwijs. De overheid moet in dergelijke gevallen gebruik maken van de andere instrumenten die ze tot haar beschikking heeft, namelijk het geheel of gedeeltelijk stopzetten van de bekostiging indien een school niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Indien sprake is van fraude of andere criminele activiteiten dan kunnen de besluiten geschorst worden, zoals dat nu bijvoorbeeld ook geregeld is voor faillissementen in het ondernemingsrecht.
- indien ouders zich niet zouden kunnen vinden in het beleid van de school, dan kunnen ze dat kenbaar maken bij de onderwijsinspectie. Deze instantie bepaalt zijn toezichtsarrangement niet alleen op basis van de resultaten van de school, maar ook op basis van klachten van ouders en personeel. Daartoe heeft zij de beschikking over vele indicatoren. De onderwijsinspectie zal ook na de wijziging van de WOT over een uitgebreider instrumentarium dan nu beschikken om het bevoegd gezag van een school op de rechte weg terug te krijgen. Mocht deze procedure te veel tijd vergen en is een sneller besluit noodzakelijk dan moet het ouders vrij staan om de gang naar de rechter bij bijvoorbeeld de ondernemingskamer te benutten om schorsing van de besluiten van het bevoegd gezag te vragen. Hoe denkt de minister over deze oplossing?
- een andere discussie betreft het vraagstuk van het bevoegd gezag. Is dat nu het toezichthoudend orgaan of het college van bestuur? Dat heeft te maken met de termen mandaatverlening, delegatie of attributie. Mandaatverlening hoeft niet in de onderwijswetten te worden opgenomen. Dat is een algemeen principe omdat het al in de algemene wet bestuursrecht en het burgerlijk wetboek is geregeld. Als de wetgever door het gebruiken van deze termen in de wet op het PO en VO bedoeld heeft dat er geen sprake mag zijn van delegatie is deze volgens Zoontjes inconsistent, want voor het bijzonder funderend onderwijs bestaat deze mogelijkheid al, vanwege bepalingen in de wet. Mentinck deelt deze analyse niet en meent dat het expliciet in de wet als mogelijkheid moet worden opgenomen. De vraag is of het niet logisch voortvloeit uit bovenstaande discussie over de strikte scheiding tussen bestuur en toezicht. Moet niet in het licht van de aanbeveling om intern een strikte scheiding door te voeren het delegatieverbod worden opgeheven? Daarom is het CDA voorstander van het wijzigen van deze bepaling in de wet.
- En dan nog de discussie over de medezeggenschap in het onderwijs. deze is voor iedere sector anders geregeld. De vraag waar het CDA voor staat is welke kant het met de medezeggenschap binnen het onderwijs op moet? Bij de WMS is sterk de nadruk gelegd op de gemeenschapsgedachte, waardoor beiden in één orgaan zitting moesten hebben. Die gedachte is losgelaten voor de BVE-sector. Aan elke vorm van medezeggenschap zitten voor- en nadelen, die binnen elke onderwijsinstelling weer anders worden ervaren. Zou het niet het beste zijn om aan de instellingen de keuze over te laten om zelf te bepalen welke vorm van medezeggenschap zij het meest geschikt achten voor hun instelling en niet een dwingend model opleggen? Kijk wat dat betreft naar de goede ervaringen zoals die zijn opgedaan in het Hoger Onderwijs. Daarbij komt ook de vraag naar boven of er binnen grote instellingen nog aparte MR-en in het leven geroepen moeten worden of dat er per bevoegd gezag een MR moet zijn? En hoe kijkt u aan tegen de rol van de leerlingen in het voortgezet onderwijs. Behoort het opdoen van ervaring met medezeggenschap binnen een school voor leerlingen niet tot een deel van de vorming die we hen moeten willen meegeven?
- naast de rol van de medezeggenschap, waardoor de betrokkenheid van de ouders, deelnemers en personeel, geregeld is en de governance-structuur, waarin het interne toezicht is geregeld, is de onderwijsinstelling een maatschappelijke organisatie. Een onderwijsinstelling leidt kinderen, studenten op om zich weerbaar in de samenleving en op de arbeidsmarkt te kunnen opstellen. Dat vereist dat een onderwijsinstelling midden in de samenleving staat en goede contacten onderhoudt met de afnemers van hun leerlingen of studenten. De horizontale verantwoording is net besproken als het gaat om de verantwoording naar de ouders, leerlingen/deelnemers en personeel. Met de samenleving moet de onderwijsinstelling de dialoog aangaan over zaken die een plek in het onderwijs moeten krijgen. Dat is geen verantwoording, maar kan worden aangeduid als een lerende dialoog: de onderwijsinstelling moet leren van zijn omgeving en deze verwerken in zijn beleid.
- indien aan al deze vereisten is voldaan kan volgens het CDA gesproken worden van een belangrijke stap op weg naar de maatschappelijke onderneming. Deelt de minister deze mening ook?
[1] We noemen dit intern ter onderscheid van het externe door de onderwijsinspectie uit te voeren toezicht.
[2] . Volgens Zoontjes komt in de eerste plaats de vraag naar boven of het de scholen niet zou belemmeren in hun samenwerking met andere instellingen en scholen. Ook krijgen gemeenten steeds meer verantwoordelijkheden op het terrein van onderwijs, waardoor conflicterende belangen zouden kunnen optreden. Daar kan wel tegen in worden gebracht dat momenteel veel taken van de gemeenten rechtstreeks overgedragen worden aan de scholen zelf. Aan de andere kant: een gemeente wordt dan juist een partner van de scholen in het ontwikkelen van beleid, zoals integratiedoelstellingen, voortijdig schoolverlaten en ga zo maar door. Ook om die reden moet twijfel worden uitgesproken bij het integraal bestuur als een adequate bestuursvorm voor het openbaar onderwijs. Daar komt dan ook nog eens de behoefte aan een interne scheiding van bestuur en toezicht bij. Die wordt volgens Zoontjes niet goed geregeld via de gemeenteraad, want de gemeenteraad mist de professionele kwaliteit om het toezicht adequaat te kunnen uitvoeren, richt zich te veel op enkele aspecten en staat buiten de schoolorganisatie.
